http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Consideraties bij Levinas 2019-...

(laatste update 11 december 2019, punt 29)

Hieronder volgen mijn consideraties bij de studie van de werken van Emmanuel Levinas. Dit is gestart op vrijdag 2 augustus 2019. Dit zijn mijn persoonlijke aantekeningen en mijn persoonlijke interpretaties (voor wat ze waard zijn).

1. Dank zij de scheiding van Kerk en Staat kunnen de politici hun gang gaan, zonder de dupe te zijn van de moraal.

2. De vicieuze cirkel van de wapenwedloop bewijst dat de mens geen afstand kan nemen van de krachten die hem door de objectieve wereld worden opgelegd. Alleen een messiaanse vrede kan de mens redden en bevrijden uit de ontologische krachten. Levinas: „De oorlig stelt een orde in, waarvan niemand afstand kan nemen”.

3. In zoverre we ons laten meeslepen door krachten binnen de wereld, leven we in een totalitaire staat. We zijn dan namelijk geen unieke personen meer.

4. In de totalitaire staat wordt het heden opgeofferd aan een toekomstig heil.

5. Vrede die door de rede wordt bereikt, berust op oorlog (wederzijdse afschrikking) en is daarom altijd van tijdelijke aard. Messiaanse vrede vloeit voort uit de moraal, die onvoorwaardelijk en universeel is. Die moraal kan door de rede niet worden gevat. Zij gaat de rede te boven. De moraal behoort tot het terrein van het geloof, dit wil zeggen dat het verder reikt dan de totaliteit van het zijn. De moraal biedt een opening naar het ’aan gene zijde van de werkelijkheid’. 

6. We verliezen onze identiteit in de objectieve wereld. Met de rede heroveren we onze identiteit niet. Dit houdt ook een les in voor de psychologie: een studie van de empirische werkelijkheid van de mens levert geen inzicht in het ware mens-zijn, dit is de mens die vrij is, dus persoonlijk.

7. Waar ligt ons heil: in de relatie met wat buiten de totaliteit ligt, dit is met het Oneindige, een transcendentie. Dit heil ontrukt ons aan het gedetermineerd zijn door de geschiedenis of door een toekomstig heil. Dit heil maakt ons verantwoordelijk in het hier en nu. Vanuit dit heil kunnen we de geschiedenis beoordelen. Met andere woorden: in onze relatie met God maken we ons vrij van elke determinatie en worden we geappelleerd ons verantwoordelijk te gedragen. Die relatie met het transcendentie, met wat buiten de objectieve wereld ligt, maakt ons echt vrij. Levinas: „Niet het laatste oordeel telt, maar het oordeel over alle momenten in de tijd waarin men de levenden oordeelt”.

8. Die relatie tot God is een relatie vanuit mijzelf (dus persoonlijk). Hierin vind ik mijn identiteit vóór de eeuwigheid. Die identiteit is een geroepen zijn („ik en niemand anders”) om antwoord te geven; dit is echt volwassen zijn. Dit is „spreken in plaats van zijn lippen te lenen aan een anoniem spreken van de geschiedenis”.  Hier komt een relatie tot stand met het Oneindige, dat de totaliteit overschrijdt. Kortom, als ik mij verhoud tot God, als ik gehoor geef aan het appel (van God) dat via de naaste en al het Andere (het Andere is wat buiten mij ligt, dus ook de natuur met haar fauna en flora) tot mij komt, dan ontruk ik mij aan de slavernij van de politiek, van de geschiedenis, van een opgelegd geloof en van een ideologie. Dit maakt het verschil uit tussen persoonlijke mensen, die per definitie van goede wil zijn want ze geven gehoor aan het appel tot verantwoordelijkheid, en mensen die als kuddedieren meelopen met de rest.

9. Een atheïst leeft in een leegte en dat geldt ook voor een gelovige die gelooft om conform te zijn aan anderen. Het ware geloof is niet het geloof in een Heilig Boek of in een onzichtbare God, maar is op persoonlijke wijze zijn verantwoordelijkheid opnemen. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid op omdat dit van hem wordt gevraagd (door de niet te kennen God). Deze ware gelovige is pas echt vrij, want hij laat zich niet determineren door de geschiedenis, door de cultuur waarin hij leeft of door een toekomstig heil dat hem wordt voorgespiegeld. De ware vrije mens leeft en handelt in het hier en nu.

10. „Is het waarnemen van een object het enige stramien waarop de banden met de waarheid worden gegeven?”. Levinas geeft hierop een negatief antwoord. Met andere woorden: de objectieve waarheid is niet de enige waarheid. Dat hebben de hedendaagse psychologen nog steeds niet begrepen (in tegenstelling tot hun voorgangers).

11. De vrede is niet zomaar het einde van de oorlog of het einde van de geschiedenis. De vrede zien als het einde van de oorlog is hypocriet, want dan kunnen we spreken van een gerechtvaardigde oorlog.

12. We zijn niet autonoom: daar is altijd de Ander die een appel op ons doet. De Ander doorbreekt het gevangen zitten binnen de objectieve wereld. Door gehoor te geven aan het appel van de Ander, treed ik in relatie tot  het Oneindige. Levinas: „De relatie met het oneindige zal in andere termen uitgedrukt moeten worden dan in termen van objectieve ervaring”.

13. „Sterven voor het onzichtbare: dat is metafysica”. Het is alleen de mens die het verlangen kan hebben te sterven voor het onzichtbare. Dit wil zeggen dat hij over zijn behoeften heen, verlangt naar het Absolute. Het absolute is de onbaatzuchtigheid van de goedheid. In deze tijd echter worden de mensen bijna uitsluitend geleid door hun behoeften. De oplossing van de hedendaagse problemen ligt daarom in het gericht zijn naar het Onzichtbare, dat is het absoluut Andere. We zijn goed tegenover de Ander omdat de absoluut Andere het aan ons (mij persoonlijk en niemand anders; ik kan het niet doorgeven aan iemand anders) vraagt.

14. De psychologie is de wetenschap van de psyche, dit is van wat buiten de empirische werkelijkheid ligt.

15. Kennen = begrijpen, dit is greep krijgen op. Via mijn kennis reduceer ik alles tot mij. De objecten worden onderworpen aan mij, door mijn kennis. Maar kunnen we een ander mens ook op deze wijze ’kennen’? Het gaat hier om een radicaal andere wijze van kennen. Het gaat om een relatie, een verlangen, waarbij de Ander niet door mij wordt opgeslorpt (in mijn kennis over hem), maar radicaal van mij gescheiden blijft. We denken niet over een Ander op dezelfde manier als we denken over een object. Die manier van respecteren van de andersheid van de Ander, is goedheid. De Ander is altijd meer dan wat ik over hem denk.

16. De mens is niet zomaar een object of alleen maar een object (lichaam). De mens als een object benaderen is hem beroven van zijn vrijheid. Wat betekent dit voor de psychologie en voor onze relaties met anderen?  We mogen een ander niet benaderen vanuit onze categorieën. We moeten openstaan voor zijn waarheid. Dit kan alleen door met hem een echt gesprek aan te gaan; dit is een gesprek waarom we onbevooroordeeld openstaan voor wat de ander ons openbaart.

Levinas: De rechtvaardigheid bestaat in de erkenning van de Ander als mijn meester. Wat wil dit zeggen: hij openbaart aan mij zijn waarheid.

Het zal nog lang duren vooraleer de menswetenschappers de draagwijdte van deze visie zullen erkennen. De filosofie van Levinas zet die wetenschappen op hun kop.

17. Met de taal, bij het spreken gaan we niet om met een ander zoals met een object. Een object be-’grijpen’ we met de rede. We passen het object in ons beeld van de werkelijkheid, volgens logische wetmatigheden. Dat object wordt in zekere zin op die manier een deel van onszelf. We zijn meester over het object, dank zij ons begrip ervan.  We hebben er ’grip’ op.

De Ander zien en behandelen als een object is ontkennen dat de Ander mij iets openbaart dat helemaal niet past in mijn voorstellingen van hem. De Ander is in zekere zin radicaal gescheiden van mij. Ik kan nooit echt meester worden van hem. Hij heeft bijvoorbeeld een innerlijk leven dat voor mij niet toegankelijk is. Maar er is meer: de Ander verplicht mij ethisch met hem om te gaan, dit is hem als echte ’Ander’ respecteren. Respect omdat de Ander iets aan mij openbaart, dat mijn voorstellingsvermogen transcendeert. De Ander staat daarom hoger dan mij. Ik ben voor hem verantwoordelijk.

Deze visie geeft aan wat de essentie moet zijn van een authentieke psychologie. Het gaat niet om observeren en meten, maar om in relatie treden met de Ander zodat hij tot mij spreekt. Wat hij uitdrukt, op welke manier dan ook (verbaal, non-verbaal) is het object van de psychologie. De psycholoog benadert de Ander niet vanuit zijn eigen denkkaders en categorieën, maar als Persoon die tot mij spreekt.

Wat is dan de waarde van deze psychologie? Dat we leren elke mens als een unieke persoon te zien. Die mens behoudt zijn vrijheid. Het is de taak van de psychologie om de belemmeringen van de menselijke vrijheid op te heffen. Daarmee verdwijnen de weerstand, de frustraties, de minderwaardigheidscomplexen, de verdringingen. Psychologie brengt vrede en gerechtigheid onder de mensen. Psychologie en ethiek zijn niet van elkaar te scheiden. Daarom is psychologie onderdeel van de wijsbegeerte. De wijsheid die hier wordt ’begeerd’ is de wijsheid die elke mens als uniek persoon openbaart. Daarvoor openstaan is ethiek en houdt een appel in tot verantwoordelijkheid voor die unieke Ander.

18. De mens biedt weerstand aan elke typologie, aan elke karakterologie, aan elke classificatie. Want elke mens is uniek en daarin ligt zijn vrijheid. In deze zin is de Ander altijd een vreemdeling die zich niet laat inkapselen. Als we een ander mens een label geven, herleiden we hem tot wat hij gemeenschappelijk heeft met anderen. Maar de Ander heeft een eigen betekenis, een eigen zijn: dat is precies zijn eigenheid of datgene wat hem maakt tot wat hij is als uniek individu.

We moeten daarop openstaan voor het absoluut ’andere’ van de Ander, voor wat hij als persoon uitdrukt en aan mij openbaart. De Ander ken ik niet als object, maar als een mens die tot mij spreekt. De Ander transcendeert alles wat ik over hem weet en over hem zeg.

19. Alleen God maakt ons vrij: God is de Oneindige en precies het Oneindige bevrijdt ons van de totaliteit. In de totaliteit gehoorzaamt alles aan universele wetten, zodat er in feite geen sprake is van vrijheid. De empirische psychologie gaat niet verder dan deze totaliteit. Vandaar mijn uitspraak dat de empirische psychologie uiteindelijk leidt tot de totalitaire staat.

Waar komt dit inzicht dat God of de Oneindige ons bevrijdt uit de totaliteit: door de ontmoeting met de Ander. God heeft in mij de idee van de of het oneindige gelegd, dit is van datgene wat mijn kennis en bewustzijn te boven gaat. Dat idee roept in mij de vraag op of ik rechtvaardig handel, in het bijzonder tegenover wat buiten mij ligt. De Ander ken ik nooit volledig. Hij representeert voor mij de Oneindige of, met andere woorden, via de Ander doet God een appel op mij om rechtvaardig met hem op te gaan, dit is om mijn verantwoordelijkheid voor de Ander op mij te nemen.

Dezelfde redenering geldt met betrekking tot mijn relatie tot de natuur. De natuur is niet door mij geschapen. Achter de natuur wenkt de Oneindige.

De fundamentele vergissing van de moderne tijd, met de ontkerkelijking als gevolg, is de verdringing van het idee van de Oneindige. Daardoor raken de mensen zich minder bewust van hun verantwoordelijkheid en wordt de wereld meer een meer een plek waar het elk voor zich is. Vandaar het consumentisme en het ongelooflijk gebrek aan goed rentmeesterschap over de planeet aarde. Als God dood is, ligt de universele totalitaire staat in het verschiet.

20. In de traditionele westerse filosofie staan het Ik en de objectieve kennis centraal. Hierdoor wordt elke relatie tussen het Ik en de Ander een onpersoonlijke relatie in een universele orde.  Hierdoor is er geen openheid voor wat buiten die orde ligt (het heteronome). Er is ook geen vrijheid, want alles verdwijnt in de onpersoonlijke orde van wetmatigheden. Moreel handelen bestaat hier in feite niet, want mijn handelen wordt gedetermineerd door de wetten van de natuurlijke orde.

Onze vrijheid, ook onze vrijheid om moreel te handelen, wordt slechts mogelijk als we openstaan voor het heteronome. Concreet: als we de Ander niet zijn als iemand die we objectief kunnen leren kennen,  maar als een persoon die een appel op mij doet. Een appel om goed te zijn. Hier gehoorzaam ik aan een appel dat van buiten mij komt, van het heteronome, dus van het Transcendente. In die gehoorzaamheid aan dat appel ligt de ware vrijheid en heb ik de vrijheid om al of niet moreel te handelen.

Conclusie: onze tijd wordt gekenmerkt door de ontkenning van het heteronome, daardoor staan we niet meer open voor het appel dat via de Ander door het Transcendente op mij wordt gericht. Betekent dit dat we meer en meer in een wereld van onpersoonlijke relaties terechtkomen en dat uiteindelijk de moraal hier de dupe van is?

De holocaust is in wezen een gevolg geweest van een totale afwijzing van het appel dat van de joodse mens op de medemensen was gericht. Indien men ervan bewust is dat het appel van de naaste in essentie een appel is van het Transcendente, vervalt men niet in het ultieme Kwaad.

Elke religie en elke ideologie moeten we evalueren naargelang van de mate waarin het goede voor eender welke ander nagestreefd wordt. Wie een groep uitsluit, vertegenwoordigt het absolute kwaad.

De traditionele westerse filosofie is mede oorzaak van het falen van de moraal. Alleen een religie voor volwassenen, dit is een religie die door open te staan voor het transcendente, aanzet tot verantwoordelijkheid, dit is het goede doen voor elke ander (ook voor de toekomstige generaties die zullen moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten), kan de moraal herstellen.

Is het niet merkwaardig dat de belangrijkste vertegenwoordiger van de traditionele westerse filosofie, Martin Heidegger, op het einde van zijn leven en kort na de holocaust zei: ’Alleen God kan ons redden’?

21. Wat betekent het een individu zijn? In die zin is de mens niet zomaar een element van een soort of een deel van een systeem of een totaliteit (zoals in de totalitaire staat). De mens heeft een innerlijk dat niet voor anderen toegankelijk is. Hij kan als individu genieten. Hij kan leven voor zichzelf en van wat de omgeving hem te bieden heeft. Een individu is autonoom, dus niet zomaar overgeleverd aan biologische instincten. In deze zin is het individu telkens een nieuwe schepping uit het niets.

De mens is ook meer dan de Rede. Want wat rationeel is, is voor iedereen gelijk. De Rede is belangrijk om een gemeenschap te vormen, maar een puur rationele mens zou slechts een deel zijn van een rationeel geheel. Citaat van Levinas: "Wat zou een puur rationeel mens te zeggen hebben aan een puur rationele ander?”. Niets dus, want niets persoonlijks. Om een authentieke relatie met een Ander te hebben, moeten we eerst individu zijn. Daarbij is ook de Ander totaal anders en een uniek individu. In een authentieke relatie staan we open voor wat de Ander te zeggen heeft. Dit staat tegenover de Ander te zien als een element van een soort, van een ras, van een ideologie.

Psychische gezondheid en harmonie in de samenleving zijn afhankelijk van elke mens te zien als een autonoom individu en niet als lid van een soort, een partij, een religie of een ideologie. Wie zich als individu erkend weet, voelt aan dat hij wordt gerespecteerd en aanvaard wordt om wie hij is en niet omwille van wat de anderen van hem eisen of van hem verwachten. De anderen erkennen als individu betekent dat hij niet alleen wordt gewaardeerd om wat hij ons te bieden heeft. Goedheid en liefde jegens een Ander wil zeggen dat wie hij ook is en wat hij ook doet, hij altijd wordt gezien als een mens die recht heeft om te zijn (in religieuze termen: ’Hij is een schepsel Gods; God heeft hem geschapen en daarom hebben we nooit het recht om hem zijn bestaan te ontzeggen of om hem te negeren. In seculiere termen betekent ’Gods schepsel zijn’: de Ander onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig liefhebben of het goede doen voor hem zonder voorwaarden te stellen).

22. Volgens Levinas is het typisch menselijke het kunnen genieten. We genieten van het leven, onbekommerd, zonder ander doel. We kunnen bijvoorbeeld eten, niet om in leven te blijven, maar gewoon om ervan te genieten. Zo kunnen we ook aan sport doen, gewoon omdat we genieten van het bewegen of van het spel. Maar kunnen we nu nog echt genieten? Staat niet alles in het teken van geld, winst maken en macht uitoefenen? Kunnen we genieten van een zakenlunch? Genieten voetballers nog van het spel? Met deze vragen wordt duidelijk wat de waarde is van het gewone leven. Gewoon kunnen zijn, er goed van leven: veel hebben we niet nodig. Dingen kunnen doen omdat we er gewoon zin in hebben, ervan genieten, los van enig welk ander doel. Wat een bevrijding!

23. We leven in, wat Levinas noemt, het ’elementale’. Het elementale dat is de Aarde, de atmosfeer, het klimaat, de natuur, de wind en dergelijke. Het kenmerkende van het elementale is dat het neutraal is en geen object dat we kunnen grijpen. Het elementale is onbepaald, een inhoud zonder vorm, er is geen begin aan te duiden en ook geen einde. Het elementale komt van nergens. We leven van en in het elementale. 

Het elementale kunnen we als een dreiging ervaren. Dat zien we bijvoorbeeld in de tegenwoordige klimaatcrisis. De wind kan de vorm krijgen van een orkaan. De natuur sterft uit. De atmosfeer raakt vervuild. Om greep te krijgen op het elementale bouwt de mens zich een woning. In de woning is hij welkom en voelt hij zich veilig. Vanuit zijn woning kan hij het elementale aan en krijgt hij er meer en meer greep op. Hij bouwt bijvoorbeeld dijken of hij neemt maatregelen om de lucht niet verder te vervuilen.

De woning staat voor het eigene, voor waar we bescherming vinden. In de woning komen het vrouwelijke (het onthaal) en het mannelijke (de bescherming) samen. Op een hoger niveau is ’de woning’ het dorp, de stad en het land waar wij wonen.

Willen we de dreigingen van het elementale in de komende decennia aankunnen, dan moeten we eerst en vooral kunnen terugvallen in in onze eigen ’woning’. Het verhaal van de Toren van Babel zal zich herhalen: alle volkeren keren terug naar het land van hun voorouders.

In de onderstaande teksten (zie links helemaal onderaan) wordt beschreven waarom die terugkeer noodzakelijk zal blijken te zijn en hoe dit kan verlopen zonder bloedvergieten.  

24. Levinas: „Vrij zijn, dat is een wereld opbouwen waar we vrij kunnen zijn”. Hiermee bedoelt hij dat we een eigen ’woning’ moeten hebben om de wereld te kunnen beheersen. Dit kunnen we weliswaar slechts tijdelijk, want ons leven is eindig, maar dank zij de tijd kunnen we de dood en de vernietiging steeds verder uitstellen (maar uiteindelijk komt toch het einde). De wereld is onveilig en anoniem, maar we kunnen ’er van leven’ en we genieten ervan. In het genieten zijn we onafhankelijk en tegelijkertijd afhankelijk (van de wereld waarvan we leven).  Dank zij de arbeid maken we de wereld herbergzaam, maar eerst moeten we een eigen ’woning’ hebben van waaruit we de wereld kunnen bewerken. Dank zij de arbeid bekomen we een zeker meesterschap over de toekomst. We nemen de wereld in ons bezit. Alle productie is een vorm van in bezit nemen.

Onze vrijheid is afhankelijk van de veilige plek waar we kunnen wonen. Wat maakt onze ’woning’ veilig? Begint dit niet met het gezin en met de mensen met wie we ons verbonden voelen door een gemeenschappelijke geschiedenis, normen en waarden, beschaving en verwantschap? Op dit principe moet de politiek gevestigd worden.

25. Net zoals de kosmos, onze planeet, de fauna en de flora zich ontwikkelen naar telkens een volgend stadium, ontwikkelt zich ook de beschaving waaraan wij bijdragen. Aan de ene kant is er een morele ontwikkeling waarbij de mensheid zich steeds beter houdt aan ethische normen. Aan de andere kant is er ook een ontwikkeling van het Kwaad mogelijk.

We zijn nu tot veel groter Kwaad in staat dan eeuwen geleden. Nog niet zolang geleden werden op industriële wijze zes miljoen mensen vermoord. Twee steden werden in één klap vernield met honderdduizenden levend verbrande mensen. Nu zijn we in staat alle leven op een heel continent en zelfs de gehele planeet te vernietigen. Dit laatste kan door middel van nucleaire wapens of langzaam via de destructie van het ecosysteem.

De ontwikkeling naar een moreel hoger stadium loopt via de erkenning van de mens als uniek persoon. Hier wordt de mens niet meer gezien als deel uitmaken van een soort. Onze relaties worden niet bepaald door eigenschappen die de Ander worden toegedicht wegens zijn uiterlijk, zijn ras, zijn geloof, zijn nationaliteit of andere kenmerken. Laten we onze relatie met een ander mens afhangen van zijn kenmerken, dan speelt ons eigenbelang de hoofdrol.

In het hoogste morele stadium worden onze sociale relaties geïnspireerd door een appel tot verantwoordelijkheid, Het Ik voelt zich verantwoordelijk voor de Ander. De Ander wordt het centrum van het Ik. Dit staat haaks op egocentrisme en egoïsme. De Ander dat is eender wie, de mensen die nabij zijn, de mensen ver weg in ontwikkelingslanden en de toekomstige generaties die zullen moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten.

Als de mensheid erin slaagt een hoger moreel niveau te bereiken, kan het Kwaad worden bestreden. Er werden niet alleen zes miljoen mensen vermoord, maar de laatste eeuw werden miljarden mensen uit diepe armoede gehaald. In veel landen wordt een democratisch beleid gevoerd; dit betekent dat respect voor het individu centraal staat. Veel politici en bedrijfsleiders voelen zich verantwoordelijk voor de Anderen. Kortom: naast de niet te ontkennen ontwikkeling naar een steeds groter Kwaad, is er ook bij velen een ontwikkeling naar een hoger moreel niveau. De landen waar democratie heerst, zijn van dit laatste het overtuigend bewijs. De landen waar een totalitair of autoritair regime heerst, zijn het minst in staat het Kwaad te vermijden.

Hoe kunnen we echter voorkomen dat de ontwikkeling van het kwaad steeds dreigender wordt en de mensen immoreel doet handelen met fatale gevolgen voor de gehele mensheid? Deze vraag is de rode draad van deze website; zie bijvoorbeeld deze samenvatting en de onderstaande links.

26. Omdat ik niet alleen ben en er andere mensen zijn, is er een God. De aanwezigheid van anderen is het godsbewijs

27. Er is geen taal zonder de aanwezigheid van andere mensen. Het gelaat van de Ander spreekt tot mij, dat is het begin van alle zijnsverstaan. Dat oorspronkelijk spreken van de Ander roept mij op tot verantwoordelijkheid en daarmee begint mijn vrijheid.. Mijn identiteit heb ik te danken aan de Ander die zich tot mij richt. De Ander is geen belemmering voor mij, maar verheft mij tot een persoon die wordt aangesproken en opgeroepen tot het doen van het Goede. Door de Ander komt de liefde in mijn leven. De relatie met de Ander is daarom een relatie met wat mij transcendeert. Dat is een godsbewijs.

De Ander brengt in mij de idee van de Oneindige en dat brengt de ethiek op de wereld.

Een en ander betekent dat door de taal, door het gesprek van de Ander die zich tot mij richt en mij in zekere zin onderricht (over mijn ethische verantwoordelijkheid), ik het immanente doorbreek. Ik doorbreek het Zijn en de idee van de Oneindige komt in mij op. Er komt een zingeving in mijn leven van ’over-het-zijn-heen’.  De oorsprong van deze breuk en deze relatie met het Transcendente ligt in het gelaat van de Ander die mij aankijkt. Vanuit het gelaat komt een oproep vandaan; een oproep die komt van over-het-zijn-heen. Het is niet ik die zin geef aan mijn leven, maar de Ander en via de Ander spreekt God tot mij. Die oproep stelt mij in vraag: voldoe ik aan mijn verplichting tot verantwoordelijkheid? 

Elke mens staat voor een tweespalt: keuze voor de wereld van het Zijn of gehoor geven aan het appel dat komt van over-het-zijn. De eerste keuze leidt tot de natuurwetenschap, de technologie, meesterschap over de natuur. De tweede keuze leidt tot verbondenheid met alle mensen, ook met de toekomstige generaties. De eerste keuze vindt haar oorsprong in de hebzucht en het egocentrisme. Bij de tweede keuze is de Ander (zijn welzijn, zijn geluk, zijn veiligheid) het centrum van mijn leven. De eerste keuze leidt tot onvrijheid en gedetermineerd worden door de wetten van de natuur, de techniek, de economie. Onvrijheid die zich bijvoorbeeld uit in de verslaving aan de techniek (auto’s, vliegtuigen,…), aan de chemie (drugs, alcohol) of aan geld. Hier wordt de mens bepaald door de dingen van het Zijn. De vrijheid die de tweede keuze biedt leidt tot goed natuurbeheer, want ook bestemd voor de toekomstige generaties, soberheid en volle aandacht voor de sociale relaties met als belangrijkste de gezinsrelaties.

28. Het begrip ’Het Laatste Oordeel’ levert een interessant inzicht op. In de wereld worden mensen beoordeeld. Dit gebeurt op grond van universele wetten, objectieve criteria of wetenschappelijke wetmatigheden. Hier wordt geen recht gedaan aan het individu, aan het unieke van ieder mens. Naast de objectieve criteria en wetmatigheden die de wereld hanteert, is er ook het onzichtbare. Het onzichtbare is wat de mens werkelijk wil. Hier is het ultieme criterium om het individu te beoordelen, zijn wil om het goede te doen.

In het Laatste Oordeel is het God die ons beoordeelt. Hij kent het onzichtbare. Hij doorgrondt elke mens.

De geschiedenis oordeelt ook, maar dan gaat het over de daden van de overledenen. Hier heeft de mens die wordt beoordeeld geen kans meer tot weerwoord.

Willen we in de wereld toch nog enigszins rechtvaardig zijn in ons oordeel over een mens, dan moet die mens recht van spreken hebben. Hij moet worden gehoord. Wie een ander oordeelt, moet openstaan voor het onzichtbare waarvan de sluier wordt opgelicht via het woord van de Ander. Het zijn de politieke en sociale instituties  die het mogelijk maken rechtvaardiger te oordelen, maar die instituties kunnen in handen van tirannen wreed en onrechtvaardig zijn.

29. Mensen die haat zaaien en mensen die geweld plegen hebben met elkaar gemeen dat zij zich niet in de plaats van een ander kunnen stellen.

Er zijn mensen die gevangen blijven binnen de logica en er zijn mensen de vrijheid tot zich nemen om de wetten van de logica te overschrijden. Verklaring: het goede doen voor de ander is tegen alle logica in (tenzij als sociaal contract, maar dan is het geen goedheid meer).

Concreet voorbeeld: hulpverleners, leerkrachten en cipiers die klagen over de werkdruk en niet meer willen doen dan wat de wet of de reglementen voorschrijven, zitten gevangen in de logica. Logisch gezien hebben ze volkomen gelijk. Maar in het licht van de eeuwigheid verzaken ze aan hun roeping. De ware roeping van de mens is alles over te hebben voor de Ander.

Het bovenstaande is vloeken in de Kerk van het eeuwige gelijk hebben.


overzicht teksten:

   © Juliaan Van Acker 2019