http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Consideraties bij Levinas 2019-...

Liever inspiratie dan indoctrinatie nr. 8 / Over God nr. 35 / over Broederschap nr. 38 /

(laatste update 18 januari 2020, punten 44 en 45 )

Hieronder volgen mijn consideraties bij de studie van de werken van Emmanuel Levinas. Dit is gestart op vrijdag 2 augustus 2019. Dit zijn mijn persoonlijke aantekeningen en mijn persoonlijke interpretaties (voor wat ze waard zijn).

1. Dank zij de scheiding van Kerk en Staat kunnen de politici hun gang gaan, zonder de dupe te zijn van de moraal.

2. De vicieuze cirkel van de wapenwedloop bewijst dat de mens geen afstand kan nemen van de krachten die hem door de objectieve wereld worden opgelegd. Alleen een messiaanse vrede kan de mens redden en bevrijden uit de ontologische krachten. Levinas: „De oorlig stelt een orde in, waarvan niemand afstand kan nemen”.

3. In zoverre we ons laten meeslepen door krachten binnen de wereld, leven we in een totalitaire staat. We zijn dan namelijk geen unieke personen meer.

4. In de totalitaire staat wordt het heden opgeofferd aan een toekomstig heil.

5. Vrede die door de rede wordt bereikt, berust op oorlog (wederzijdse afschrikking) en is daarom altijd van tijdelijke aard. Messiaanse vrede vloeit voort uit de moraal, die onvoorwaardelijk en universeel is. Die moraal kan door de rede niet worden gevat. Zij gaat de rede te boven. De moraal behoort tot het terrein van het geloof, dit wil zeggen dat het verder reikt dan de totaliteit van het zijn. De moraal biedt een opening naar het ’aan gene zijde van de werkelijkheid’. 

6. We verliezen onze identiteit in de objectieve wereld. Met de rede heroveren we onze identiteit niet. Dit houdt ook een les in voor de psychologie: een studie van de empirische werkelijkheid van de mens levert geen inzicht in het ware mens-zijn, dit is de mens die vrij is, dus persoonlijk (zie mijn tekst: Psychologie is geen empirische wetenschap )

7. Waar ligt ons heil: in de relatie met wat buiten de totaliteit ligt, dit is met het Oneindige, een transcendentie. Dit heil ontrukt ons aan het gedetermineerd zijn door de geschiedenis of door een toekomstig heil. Dit heil maakt ons verantwoordelijk in het hier en nu. Vanuit dit heil kunnen we de geschiedenis beoordelen. Met andere woorden: in onze relatie met God maken we ons vrij van elke determinatie en worden we geappelleerd ons verantwoordelijk te gedragen. Die relatie met het transcendentie, met wat buiten de objectieve wereld ligt, maakt ons echt vrij. Levinas: „Niet het laatste oordeel telt, maar het oordeel over alle momenten in de tijd waarin men de levenden oordeelt”.

8.  Liever inspiratie dan indoctrinatie 

Die relatie tot God is een relatie vanuit mijzelf (dus persoonlijk). Hierin vind ik mijn identiteit vóór de eeuwigheid. Die identiteit is een geroepen zijn („ik en niemand anders”) om antwoord te geven; dit is echt volwassen zijn. Dit is „spreken in plaats van zijn lippen te lenen aan een anoniem spreken van de geschiedenis”.  Hier komt een relatie tot stand met het Oneindige, dat de totaliteit overschrijdt. Kortom, als ik mij verhoud tot God, als ik gehoor geef aan het appel (van God) dat via de naaste en al het Andere (het Andere is wat buiten mij ligt, dus ook de natuur met haar fauna en flora) tot mij komt, dan ontruk ik mij aan de slavernij van de politiek, van de geschiedenis, van een opgelegd geloof en van een ideologie. Dit maakt het verschil uit tussen persoonlijke mensen, die per definitie van goede wil zijn want ze geven gehoor aan het appel tot verantwoordelijkheid, en mensen die als kuddedieren meelopen met de rest.

Wat betekent dit meer concreet: ik moet mij losmaken van alles wat eindig is. Eindig is de politiek, de geschiedenis, de ideologie, de cultuur, het vaderland,… Als ik mij hiervan losmaak, kan ik openstaan voor het Oneindige. Nog concreter: consumeren wordt vervangen door contemplatie, indoctrinatie door inspiratie.

Betekent dit nu dat de politiek, de geschiedenis, de ideologie, de cultuur en het vaderland zinloze inhouden zijn? Geenszins, maar ze zijn een middel om nader tot het Oneindige, tot God te komen en geen doel op zichzelf. Zorg dus voor een politiek die antwoord geeft op het appel van het Oneindige. Koester de geschiedenis, het vaderland en de eigen cultuur als bronnen om onze verantwoordelijkheid te kunnen opnemen. Zoek naar een ideologie die mensen inspireert om hun verantwoordelijkheid op te nemen voor alle mensen, onafhankelijk van hun ras, geloof of afkomst. Koester jouw religie als bron voor compassie met de mensen die nabij zijn, ver weg in ontwikkelingslanden en met de toekomstige generaties.

9. Een atheïst leeft in een leegte en dat geldt ook voor een gelovige die gelooft om conform te zijn aan anderen. Het ware geloof is niet het geloof in een Heilig Boek of in een onzichtbare God, maar is op persoonlijke wijze zijn verantwoordelijkheid opnemen. Hij neemt zijn verantwoordelijkheid op omdat dit van hem wordt gevraagd (door de niet te kennen God). Deze ware gelovige is pas echt vrij, want hij laat zich niet determineren door de geschiedenis, door de cultuur waarin hij leeft of door een toekomstig heil dat hem wordt voorgespiegeld. De ware vrije mens leeft en handelt in het hier en nu. In het hier en nu neemt hij zijn verantwoordelijkheid op.

10. „Is het waarnemen van een object het enige stramien waarop de banden met de waarheid worden gegeven?”. Levinas geeft hierop een negatief antwoord. Met andere woorden: de objectieve waarheid is niet de enige waarheid. Dat hebben de hedendaagse psychologen nog steeds niet begrepen (in tegenstelling tot hun voorgangers).

11. De vrede is niet zomaar het einde van de oorlog of het einde van de geschiedenis. De vrede zien als het einde van de oorlog is hypocriet, want dan kunnen we spreken van een gerechtvaardigde oorlog.

12. We zijn niet autonoom: daar is altijd de Ander die een appel op ons doet. De Ander doorbreekt het gevangen zitten binnen de objectieve wereld. Door gehoor te geven aan het appel van de Ander, treed ik in relatie tot  het Oneindige. Levinas: „De relatie met het oneindige zal in andere termen uitgedrukt moeten worden dan in termen van objectieve ervaring”.

13. „Sterven voor het onzichtbare: dat is metafysica”. Het is alleen de mens die het verlangen kan hebben te sterven voor het onzichtbare. Dit wil zeggen dat hij over zijn behoeften heen, verlangt naar het Absolute. Het absolute is de onbaatzuchtigheid van de goedheid. In deze tijd echter worden de mensen bijna uitsluitend geleid door hun behoeften. De oplossing van de hedendaagse problemen ligt daarom in het gericht zijn naar het Onzichtbare, dat is het absoluut Andere. We zijn goed tegenover de Ander omdat de absoluut Andere het aan ons (mij persoonlijk en niemand anders; ik kan het niet doorgeven aan iemand anders) vraagt.

14. De psychologie is de wetenschap van de psyche, dit is van wat buiten de empirische werkelijkheid ligt.

15. Kennen = begrijpen, dit is greep krijgen op. Via mijn kennis reduceer ik alles tot mij. De objecten worden onderworpen aan mij, door mijn kennis. Maar kunnen we een ander mens ook op deze wijze ’kennen’? Het gaat hier om een radicaal andere wijze van kennen. Het gaat om een relatie, een verlangen, waarbij de Ander niet door mij wordt opgeslorpt (in mijn kennis over hem), maar radicaal van mij gescheiden blijft. We denken niet over een Ander op dezelfde manier als we denken over een object. Die manier van respecteren van de andersheid van de Ander, is goedheid. De Ander is altijd meer dan wat ik over hem denk.

16. De mens is niet zomaar een object of alleen maar een object (lichaam). De mens als een object benaderen is hem beroven van zijn vrijheid. Wat betekent dit voor de psychologie en voor onze relaties met anderen?  We mogen een ander niet benaderen vanuit onze categorieën. We moeten openstaan voor zijn waarheid. Dit kan alleen door met hem een echt gesprek aan te gaan; dit is een gesprek waarom we onbevooroordeeld openstaan voor wat de ander ons openbaart.

Levinas: De rechtvaardigheid bestaat in de erkenning van de Ander als mijn meester. Wat wil dit zeggen: hij openbaart aan mij zijn waarheid.

Het zal nog lang duren vooraleer de menswetenschappers de draagwijdte van deze visie zullen erkennen. De filosofie van Levinas zet die wetenschappen op hun kop.

17. Met de taal, bij het spreken gaan we niet om met een ander zoals met een object. Een object be-’grijpen’ we met de rede. We passen het object in ons beeld van de werkelijkheid, volgens logische wetmatigheden. Dat object wordt in zekere zin op die manier een deel van onszelf. We zijn meester over het object, dank zij ons begrip ervan.  We hebben er ’grip’ op.

De Ander zien en behandelen als een object is ontkennen dat de Ander mij iets openbaart dat helemaal niet past in mijn voorstellingen van hem. De Ander is in zekere zin radicaal gescheiden van mij. Ik kan nooit echt meester worden van hem. Hij heeft bijvoorbeeld een innerlijk leven dat voor mij niet toegankelijk is. Maar er is meer: de Ander verplicht mij ethisch met hem om te gaan, dit is hem als echte ’Ander’ respecteren. Respect omdat de Ander iets aan mij openbaart, dat mijn voorstellingsvermogen transcendeert. De Ander staat daarom hoger dan mij. Ik ben voor hem verantwoordelijk.

Deze visie geeft aan wat de essentie moet zijn van een authentieke psychologie. Het gaat niet om observeren en meten, maar om in relatie treden met de Ander zodat hij tot mij spreekt. Wat hij uitdrukt, op welke manier dan ook (verbaal, non-verbaal) is het object van de psychologie. De psycholoog benadert de Ander niet vanuit zijn eigen denkkaders en categorieën, maar als Persoon die tot mij spreekt.

Wat is dan de waarde van deze psychologie? Dat we leren elke mens als een unieke persoon te zien. Die mens behoudt zijn vrijheid. Het is de taak van de psychologie om de belemmeringen van de menselijke vrijheid op te heffen. Daarmee verdwijnen de weerstand, de frustraties, de minderwaardigheidscomplexen, de verdringingen. Psychologie brengt vrede en gerechtigheid onder de mensen. Psychologie en ethiek zijn niet van elkaar te scheiden. Daarom is psychologie onderdeel van de wijsbegeerte. De wijsheid die hier wordt ’begeerd’ is de wijsheid die elke mens als uniek persoon openbaart. Daarvoor openstaan is ethiek en houdt een appel in tot verantwoordelijkheid voor die unieke Ander.

18. De mens biedt weerstand aan elke typologie, aan elke karakterologie, aan elke classificatie. Want elke mens is uniek en daarin ligt zijn vrijheid. In deze zin is de Ander altijd een vreemdeling die zich niet laat inkapselen. Als we een ander mens een label geven, herleiden we hem tot wat hij gemeenschappelijk heeft met anderen. Maar de Ander heeft een eigen betekenis, een eigen zijn: dat is precies zijn eigenheid of datgene wat hem maakt tot wat hij is als uniek individu.

We moeten daarop openstaan voor het absoluut ’andere’ van de Ander, voor wat hij als persoon uitdrukt en aan mij openbaart. De Ander ken ik niet als object, maar als een mens die tot mij spreekt. De Ander transcendeert alles wat ik over hem weet en over hem zeg.

19. Alleen God maakt ons vrij: God is de Oneindige en precies het Oneindige bevrijdt ons van de totaliteit. In de totaliteit gehoorzaamt alles aan universele wetten, zodat er in feite geen sprake is van vrijheid. De empirische psychologie gaat niet verder dan deze totaliteit. Vandaar mijn uitspraak dat de empirische psychologie uiteindelijk leidt tot de totalitaire staat.

Waar komt dit inzicht dat God of de Oneindige ons bevrijdt uit de totaliteit: door de ontmoeting met de Ander. God heeft in mij de idee van de of het oneindige gelegd, dit is van datgene wat mijn kennis en bewustzijn te boven gaat. Dat idee roept in mij de vraag op of ik rechtvaardig handel, in het bijzonder tegenover wat buiten mij ligt. De Ander ken ik nooit volledig. Hij representeert voor mij de Oneindige of, met andere woorden, via de Ander doet God een appel op mij om rechtvaardig met hem op te gaan, dit is om mijn verantwoordelijkheid voor de Ander op mij te nemen.

Dezelfde redenering geldt met betrekking tot mijn relatie tot de natuur. De natuur is niet door mij geschapen. Achter de natuur wenkt de Oneindige.

De fundamentele vergissing van de moderne tijd, met de ontkerkelijking als gevolg, is de verdringing van het idee van de Oneindige. Daardoor raken de mensen zich minder bewust van hun verantwoordelijkheid en wordt de wereld meer een meer een plek waar het elk voor zich is. Vandaar het consumentisme en het ongelooflijk gebrek aan goed rentmeesterschap over de planeet aarde. Als God dood is, ligt de universele totalitaire staat in het verschiet.

20. In de traditionele westerse filosofie staan het Ik en de objectieve kennis centraal. Hierdoor wordt elke relatie tussen het Ik en de Ander een onpersoonlijke relatie in een universele orde.  Hierdoor is er geen openheid voor wat buiten die orde ligt (het heteronome). Er is ook geen vrijheid, want alles verdwijnt in de onpersoonlijke orde van wetmatigheden. Moreel handelen bestaat hier in feite niet, want mijn handelen wordt gedetermineerd door de wetten van de natuurlijke orde.

Onze vrijheid, ook onze vrijheid om moreel te handelen, wordt slechts mogelijk als we openstaan voor het heteronome. Concreet: als we de Ander niet zijn als iemand die we objectief kunnen leren kennen,  maar als een persoon die een appel op mij doet. Een appel om goed te zijn. Hier gehoorzaam ik aan een appel dat van buiten mij komt, van het heteronome, dus van het Transcendente. In die gehoorzaamheid aan dat appel ligt de ware vrijheid en heb ik de vrijheid om al of niet moreel te handelen.

Conclusie: onze tijd wordt gekenmerkt door de ontkenning van het heteronome, daardoor staan we niet meer open voor het appel dat via de Ander door het Transcendente op mij wordt gericht. Betekent dit dat we meer en meer in een wereld van onpersoonlijke relaties terechtkomen en dat uiteindelijk de moraal hier de dupe van is?

De holocaust is in wezen een gevolg geweest van een totale afwijzing van het appel dat van de joodse mens op de medemensen was gericht. Indien men ervan bewust is dat het appel van de naaste in essentie een appel is van het Transcendente, vervalt men niet in het ultieme Kwaad.

Elke religie en elke ideologie moeten we evalueren naargelang van de mate waarin het goede voor eender welke ander nagestreefd wordt. Wie een groep uitsluit, vertegenwoordigt het absolute kwaad.

De traditionele westerse filosofie is mede oorzaak van het falen van de moraal. Alleen een religie voor volwassenen, dit is een religie die door open te staan voor het transcendente, aanzet tot verantwoordelijkheid, dit is het goede doen voor elke ander (ook voor de toekomstige generaties die zullen moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten), kan de moraal herstellen.

Is het niet merkwaardig dat de belangrijkste vertegenwoordiger van de traditionele westerse filosofie, Martin Heidegger, op het einde van zijn leven en kort na de holocaust zei: ’Alleen God kan ons redden’?

21. Wat betekent het een individu zijn? In die zin is de mens niet zomaar een element van een soort of een deel van een systeem of een totaliteit (zoals in de totalitaire staat). De mens heeft een innerlijk dat niet voor anderen toegankelijk is. Hij kan als individu genieten. Hij kan leven voor zichzelf en van wat de omgeving hem te bieden heeft. Een individu is autonoom, dus niet zomaar overgeleverd aan biologische instincten. In deze zin is het individu telkens een nieuwe schepping uit het niets.

De mens is ook meer dan de Rede. Want wat rationeel is, is voor iedereen gelijk. De Rede is belangrijk om een gemeenschap te vormen, maar een puur rationele mens zou slechts een deel zijn van een rationeel geheel. Citaat van Levinas: "Wat zou een puur rationeel mens te zeggen hebben aan een puur rationele ander?”. Niets dus, want niets persoonlijks. Om een authentieke relatie met een Ander te hebben, moeten we eerst individu zijn. Daarbij is ook de Ander totaal anders en een uniek individu. In een authentieke relatie staan we open voor wat de Ander te zeggen heeft. Dit staat tegenover de Ander te zien als een element van een soort, van een ras, van een ideologie.

Psychische gezondheid en harmonie in de samenleving zijn afhankelijk van elke mens te zien als een autonoom individu en niet als lid van een soort, een partij, een religie of een ideologie. Wie zich als individu erkend weet, voelt aan dat hij wordt gerespecteerd en aanvaard wordt om wie hij is en niet omwille van wat de anderen van hem eisen of van hem verwachten. De anderen erkennen als individu betekent dat hij niet alleen wordt gewaardeerd om wat hij ons te bieden heeft. Goedheid en liefde jegens een Ander wil zeggen dat wie hij ook is en wat hij ook doet, hij altijd wordt gezien als een mens die recht heeft om te zijn (in religieuze termen: ’Hij is een schepsel Gods; God heeft hem geschapen en daarom hebben we nooit het recht om hem zijn bestaan te ontzeggen of om hem te negeren. In seculiere termen betekent ’Gods schepsel zijn’: de Ander onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig liefhebben of het goede doen voor hem zonder voorwaarden te stellen).

22. Volgens Levinas is het typisch menselijke het kunnen genieten. We genieten van het leven, onbekommerd, zonder ander doel. We kunnen bijvoorbeeld eten, niet om in leven te blijven, maar gewoon om ervan te genieten. Zo kunnen we ook aan sport doen, gewoon omdat we genieten van het bewegen of van het spel. Maar kunnen we nu nog echt genieten? Staat niet alles in het teken van geld, winst maken en macht uitoefenen? Kunnen we genieten van een zakenlunch? Genieten voetballers nog van het spel? Met deze vragen wordt duidelijk wat de waarde is van het gewone leven. Gewoon kunnen zijn, er goed van leven: veel hebben we niet nodig. Dingen kunnen doen omdat we er gewoon zin in hebben, ervan genieten, los van enig welk ander doel. Wat een bevrijding!

23. We leven in, wat Levinas noemt, het ’elementale’. Het elementale dat is de Aarde, de atmosfeer, het klimaat, de natuur, de wind en dergelijke. Het kenmerkende van het elementale is dat het neutraal is en geen object dat we kunnen grijpen. Het elementale is onbepaald, een inhoud zonder vorm, er is geen begin aan te duiden en ook geen einde. Het elementale komt van nergens. We leven van en in het elementale. 

Het elementale kunnen we als een dreiging ervaren. Dat zien we bijvoorbeeld in de tegenwoordige klimaatcrisis. De wind kan de vorm krijgen van een orkaan. De natuur sterft uit. De atmosfeer raakt vervuild. Om greep te krijgen op het elementale bouwt de mens zich een woning. In de woning is hij welkom en voelt hij zich veilig. Vanuit zijn woning kan hij het elementale aan en krijgt hij er meer en meer greep op. Hij bouwt bijvoorbeeld dijken of hij neemt maatregelen om de lucht niet verder te vervuilen.

De woning staat voor het eigene, voor waar we bescherming vinden. In de woning komen het vrouwelijke (het onthaal) en het mannelijke (de bescherming) samen. Op een hoger niveau is ’de woning’ het dorp, de stad en het land waar wij wonen.

Willen we de dreigingen van het elementale in de komende decennia aankunnen, dan moeten we eerst en vooral kunnen terugvallen in in onze eigen ’woning’. Het verhaal van de Toren van Babel zal zich herhalen: alle volkeren keren terug naar het land van hun voorouders.

In de onderstaande teksten (zie links helemaal onderaan) wordt beschreven waarom die terugkeer noodzakelijk zal blijken te zijn en hoe dit kan verlopen zonder bloedvergieten.  

24. Levinas: „Vrij zijn, dat is een wereld opbouwen waar we vrij kunnen zijn”. Hiermee bedoelt hij dat we een eigen ’woning’ moeten hebben om de wereld te kunnen beheersen. Dit kunnen we weliswaar slechts tijdelijk, want ons leven is eindig, maar dank zij de tijd kunnen we de dood en de vernietiging steeds verder uitstellen (maar uiteindelijk komt toch het einde). De wereld is onveilig en anoniem, maar we kunnen ’er van leven’ en we genieten ervan. In het genieten zijn we onafhankelijk en tegelijkertijd afhankelijk (van de wereld waarvan we leven).  Dank zij de arbeid maken we de wereld herbergzaam, maar eerst moeten we een eigen ’woning’ hebben van waaruit we de wereld kunnen bewerken. Dank zij de arbeid bekomen we een zeker meesterschap over de toekomst. We nemen de wereld in ons bezit. Alle productie is een vorm van in bezit nemen.

Onze vrijheid is afhankelijk van de veilige plek waar we kunnen wonen. Wat maakt onze ’woning’ veilig? Begint dit niet met het gezin en met de mensen met wie we ons verbonden voelen door een gemeenschappelijke geschiedenis, normen en waarden, beschaving en verwantschap? Op dit principe moet de politiek gevestigd worden.

25. Net zoals de kosmos, onze planeet, de fauna en de flora zich ontwikkelen naar telkens een volgend stadium, ontwikkelt zich ook de beschaving waaraan wij bijdragen. Aan de ene kant is er een morele ontwikkeling waarbij de mensheid zich steeds beter houdt aan ethische normen. Aan de andere kant is er ook een ontwikkeling van het Kwaad mogelijk.

We zijn nu tot veel groter Kwaad in staat dan eeuwen geleden. Nog niet zolang geleden werden op industriële wijze zes miljoen mensen vermoord. Twee steden werden in één klap vernield met honderdduizenden levend verbrande mensen. Nu zijn we in staat alle leven op een heel continent en zelfs de gehele planeet te vernietigen. Dit laatste kan door middel van nucleaire wapens of langzaam via de destructie van het ecosysteem.

De ontwikkeling naar een moreel hoger stadium loopt via de erkenning van de mens als uniek persoon. Hier wordt de mens niet meer gezien als deel uitmaken van een soort. Onze relaties worden niet bepaald door eigenschappen die de Ander worden toegedicht wegens zijn uiterlijk, zijn ras, zijn geloof, zijn nationaliteit of andere kenmerken. Laten we onze relatie met een ander mens afhangen van zijn kenmerken, dan speelt ons eigenbelang de hoofdrol.

In het hoogste morele stadium worden onze sociale relaties geïnspireerd door een appel tot verantwoordelijkheid, Het Ik voelt zich verantwoordelijk voor de Ander. De Ander wordt het centrum van het Ik. Dit staat haaks op egocentrisme en egoïsme. De Ander dat is eender wie, de mensen die nabij zijn, de mensen ver weg in ontwikkelingslanden en de toekomstige generaties die zullen moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten.

Als de mensheid erin slaagt een hoger moreel niveau te bereiken, kan het Kwaad worden bestreden. Er werden niet alleen zes miljoen mensen vermoord, maar de laatste eeuw werden miljarden mensen uit diepe armoede gehaald. In veel landen wordt een democratisch beleid gevoerd; dit betekent dat respect voor het individu centraal staat. Veel politici en bedrijfsleiders voelen zich verantwoordelijk voor de Anderen. Kortom: naast de niet te ontkennen ontwikkeling naar een steeds groter Kwaad, is er ook bij velen een ontwikkeling naar een hoger moreel niveau. De landen waar democratie heerst, zijn van dit laatste het overtuigend bewijs. De landen waar een totalitair of autoritair regime heerst, zijn het minst in staat het Kwaad te vermijden.

Hoe kunnen we echter voorkomen dat de ontwikkeling van het kwaad steeds dreigender wordt en de mensen immoreel doet handelen met fatale gevolgen voor de gehele mensheid? Deze vraag is de rode draad van deze website; zie bijvoorbeeld deze samenvatting en de onderstaande links.

26. Omdat ik niet alleen ben en er andere mensen zijn, is er een God. De aanwezigheid van anderen is het godsbewijs

27. Er is geen taal zonder de aanwezigheid van andere mensen. Het gelaat van de Ander spreekt tot mij, dat is het begin van alle zijnsverstaan. Dat oorspronkelijk spreken van de Ander roept mij op tot verantwoordelijkheid en daarmee begint mijn vrijheid.. Mijn identiteit heb ik te danken aan de Ander die zich tot mij richt. De Ander is geen belemmering voor mij, maar verheft mij tot een persoon die wordt aangesproken en opgeroepen tot het doen van het Goede. Door de Ander komt de liefde in mijn leven. De relatie met de Ander is daarom een relatie met wat mij transcendeert. Dat is een godsbewijs.

De Ander brengt in mij de idee van de Oneindige en dat brengt de ethiek op de wereld.

Een en ander betekent dat door de taal, door het gesprek van de Ander die zich tot mij richt en mij in zekere zin onderricht (over mijn ethische verantwoordelijkheid), ik het immanente doorbreek. Ik doorbreek het Zijn en de idee van de Oneindige komt in mij op. Er komt een zingeving in mijn leven van ’over-het-zijn-heen’.  De oorsprong van deze breuk en deze relatie met het Transcendente ligt in het gelaat van de Ander die mij aankijkt. Vanuit het gelaat komt een oproep vandaan; een oproep die komt van over-het-zijn-heen. Het is niet ik die zin geef aan mijn leven, maar de Ander en via de Ander spreekt God tot mij. Die oproep stelt mij in vraag: voldoe ik aan mijn verplichting tot verantwoordelijkheid? 

Elke mens staat voor een tweespalt: keuze voor de wereld van het Zijn of gehoor geven aan het appel dat komt van over-het-zijn. De eerste keuze leidt tot de natuurwetenschap, de technologie, meesterschap over de natuur. De tweede keuze leidt tot verbondenheid met alle mensen, ook met de toekomstige generaties. De eerste keuze vindt haar oorsprong in de hebzucht en het egocentrisme. Bij de tweede keuze is de Ander (zijn welzijn, zijn geluk, zijn veiligheid) het centrum van mijn leven. De eerste keuze leidt tot onvrijheid en gedetermineerd worden door de wetten van de natuur, de techniek, de economie. Onvrijheid die zich bijvoorbeeld uit in de verslaving aan de techniek (auto’s, vliegtuigen,…), aan de chemie (drugs, alcohol) of aan geld. Hier wordt de mens bepaald door de dingen van het Zijn. De vrijheid die de tweede keuze biedt leidt tot goed natuurbeheer, want ook bestemd voor de toekomstige generaties, soberheid en volle aandacht voor de sociale relaties met als belangrijkste de gezinsrelaties.

28. Het begrip ’Het Laatste Oordeel’ levert een interessant inzicht op. In de wereld worden mensen beoordeeld. Dit gebeurt op grond van universele wetten, objectieve criteria of wetenschappelijke wetmatigheden. Hier wordt geen recht gedaan aan het individu, aan het unieke van ieder mens. Naast de objectieve criteria en wetmatigheden die de wereld hanteert, is er ook het onzichtbare. Het onzichtbare is wat de mens werkelijk wil. Hier is het ultieme criterium om het individu te beoordelen, zijn wil om het goede te doen.

In het Laatste Oordeel is het God die ons beoordeelt. Hij kent het onzichtbare. Hij doorgrondt elke mens.

De geschiedenis oordeelt ook, maar dan gaat het over de daden van de overledenen. Hier heeft de mens die wordt beoordeeld geen kans meer tot weerwoord.

Willen we in de wereld toch nog enigszins rechtvaardig zijn in ons oordeel over een mens, dan moet die mens recht van spreken hebben. Hij moet worden gehoord. Wie een ander oordeelt, moet openstaan voor het onzichtbare waarvan de sluier wordt opgelicht via het woord van de Ander. Het zijn de politieke en sociale instituties  die het mogelijk maken rechtvaardiger te oordelen, maar die instituties kunnen in handen van tirannen wreed en onrechtvaardig zijn.

29. Mensen die haat zaaien en mensen die geweld plegen hebben met elkaar gemeen dat zij zich niet in de plaats van een ander kunnen stellen.

Er zijn mensen die gevangen blijven binnen de logica en er zijn mensen de vrijheid tot zich nemen om de wetten van de logica te overschrijden. Verklaring: het goede doen voor de ander is tegen alle logica in (tenzij als sociaal contract, maar dan is het geen goedheid meer).

Concreet voorbeeld: hulpverleners, leerkrachten en cipiers die klagen over de werkdruk en niet meer willen doen dan wat de wet of de reglementen voorschrijven, zitten gevangen in de logica. Logisch gezien hebben ze volkomen gelijk. Maar in het licht van de eeuwigheid verzaken ze aan hun roeping. De ware roeping van de mens is alles over te hebben voor de Ander.

Het bovenstaande is vloeken in de Kerk van het eeuwige gelijk hebben.

30. Zijn is oorlog. In het Zijn is de mens de gevangene van de totaliteit. Om hieruit te ontsnappen  moet de mens uit zichzelf de verantwoordelijkheid voor de Ander opnemen. In de verantwoordelijkheid - dit is goedheid - overstijgt hij de totaliteit en staat hij open voor de transcendentie. Dit is de ware betekenis van religie. Bij religie gaat het niet om domweg geloven, ook niet om de rituelen. De religieuze mens treedt door zijn goede daden in relatie met het transcendente. Goed zijn is open staan voor het transcendente. De religieuze mens pleegt geen geweld, steelt niet, doet niemand pijn.

Het kwaad begint als de mens slechts leeft voor zijn eigen behoeften en geen oog heeft voor de behoeften van de Ander. Wie oog heeft voor de noden van de Ander, verlangt om het goede te doen. Er is een scherp onderscheid tussen behoefte en verlangen: behoefte eindigt bij de verzadiging; verlangen houdt nooit op (we kunnen nooit zeggen: ’Nu zijn we goed genoeg geweest’). Verlangen is in zekere zin oneindig: vandaar die relatie met het transcendente.

31. De waarheid komt van de metafysica en niet van de fysica

In de fysica worden dingen bestudeerd. Het is een objectieve wetenschap. De waarheid ligt echter niet in het objectieve. De waarheid van het objectieve is slechts mogelijk als we ’alles’ in beschouwing nemen. De fysica en de empirische wetenschap in het algemeen kunnen nooit alle factoren in rekening brengen. Dit laatste is de reden waarom de wetenschap steeds verandert van inzicht. De stand van de wetenschap nu, is de vergissing van morgen.

De waarheid ligt in het Oneindige. Het Oneindige is het terrein van de metafysica. Hier wordt niet geobjectiveerd, dit wil zeggen niets wordt tot een ding gemaakt. Dit laatste betekent dat er geen betekenis aan het ding wordt gegeven, maar we staan open voor wat ’het ding’ ons openbaart. Toegepast op de mens: het zou onmenselijk zijn de mens als een ding te beschouwen (dit betekent namelijk dat we hem kunnen bezitten, manipuleren, onderwerpen). De mens heeft een onpeilbaar gelaat: hij openbaart ons iets, namelijk het appel om goed te zijn voor hem. De Ander is niet ’gegeven’, maar heeft en openbaart een zin. Hier ligt de waarheid in haar zuivere betekenis. 

Goedheid kan nooit een vergissing zijn. Goedheid is van alle tijden en zal altijd de echte waarheid blijven.

Doordat de wetenschap nooit de oneindigheid kan vatten, sleept zij de mensheid mee in onverantwoorde experimenten. De klimaatcrisis en de extinctie van plant- en diersoorten zijn daar het gevolg van. Dat is de onwaarheid van de objectieve wetenschap.

32. Wat is het verschil tussen de objectieve wereld en de transcendente ’wereld’?

In de objectieve wereld willen we volharden in het Zijn; daar leven we in een totaliteit. Daar is ons leven eindig. Volharden in het Zijn betekent dat we onze behoeften willen bevredigen. In de objectieve wereld heerst om die reden een strijd van allen tegen allen. Vandaar dat Levinas zegt: ’Zijn is oorlog’.

In de transcendente wereld bestaan we voor het Goede. We zullen voor het Goede desnoods onze eigen dood riskeren. De transcendente wereld is geen totaliteit, maar is oneindig. In de transcendente wereld zijn we met vrijheid bekleed: dit betekent dat we vrij zijn om onze verantwoordelijkheid al of niet op te nemen.

Dit verschil maakt ook duidelijk wat het verschil is tussen gelovig en ongelovig. De ongelovige leeft in de beperktheid van de objectieve wereld en met de dood komt het Niets. In de objectieve wereld heeft het bestaan uiteindelijk geen enkele zin. De gelovige daarentegen geeft een eeuwige zin aan zijn bestaan door het Goede te doen. Het Goede is meer dan Zijn. Hij overstijgt hierdoor de objectieve wereld. De gelovige verlangt om het goede te doen. Dit verlangen houdt nooit op. We kunnen nooit zeggen: We zijn nu goed genoeg geweest. De ongelovige, dit is diegene die de transcendentie afwijst, die meent te weten dat aan gene kant van het Zijn er niets is, hij wil slechts zijn behoeften bevredigen. Eenmaal de behoefte bevredigd, verdwijnt de behoefte. De ongelovige leeft binnen de grenzen van de materiële wereld, waar de anderen objecten zijn die al of niet nuttig kunnen zijn voor de behoeftenbevrediging.

Bovenstaande betekent niet dat de ongelovige geen goed mens kan zijn. Hij kan het goede doen ’om niets’ en in die zin kan hij ’heiliger’ zijn dan een vroom mens die goed is omwille van de beloning na de dood. In deze tekst gaat het over de fundering van de goedheid, over de vraag waarom de mens zich geroepen voelt om goed te zijn. Deze fundering lijkt mij noodzakelijk om de mensen voor het goede te inspireren, want niet iedereen kan heilig zijn.

De objectieve wereld is het domein van de kennis. De transcendente wereld is het domein van de wijsheid.

Kennis is macht. Wijsheid is liefde.

Kennis is bedoeld om anderen te onderdrukken (te manipuleren, te beïnvloeden, wat op hetzelfde neerkomt). Wijsheid leidt tot respect voor elke mens, want het Goede doen kan niet van voorwaarden afhankelijk zijn.

Heidegger en Sartre zijn de filosofen van de objectieve wereld. Volgens Heidegger is de mens op de wereld ’geworpen’. Het gaat om ’te zijn’. Volgens Sartre zijn de anderen, de hel (L’enfer. c’est les autres). Hier gaat het om de vrijheid om zijn rechten op te eisen.

Levinas is de filosoof van de wereld aan gene kant van het Zijn. Hier is de Ander diegene die vanuit de Hoogte een appel op mij doet (om het Goede te doen). Hier is de vrijheid de vrijheid om het Goede te doen en rechtvaardig te zijn.

In de objectieve wereld is het Ik het centrum van de wereld.

In de transcendente wereld is de Ander het centrum van het Ik.

In de objectieve wereld is sterven voor het vaderland dom en zinloos, en dat geldt ook voor iemand die in nood is met gevaar voor eigen leven proberen te redden.  In de transcendente wereld ’sterft’ men elke dag een beetje voor de Ander. ’Sterven’ in de betekenis van zijn eigen behoeften opzij zetten omwille van de behoeften van de Ander. Levinas noemt dit ’Sterven voor het onzichtbare’.

Aangezien de meeste mensen bereid zijn om anderen te helpen, zijn de meesten gelovig.

33. Het essentiële verschil tussen het gezin en de Staat.

Het gezin is meer dan de hoeksteen van de samenleving, Het gezin brengt de moraal in de wereld. In het gezin wordt het leven gegeven aan de Ander (het kind) en wordt die Ander onbaatzuchtig en onvoorwaardelijk lief gehad. Het gezin is de plek waar het Goede de dagelijkse omgang wezenlijk kenmerkt.

De Staat brengt het Recht in de wereld, maar niet de Liefde. In de Staat is de mens een burger, een element van een systeem, een schakel in een structuur. 

In de Staat is de burger anoniem. In het gezin is elk lid uniek en wordt met zijn naam aangesproken.

In de Staat is de burger gelijk aan alle anderen en is hij eenzaam. In het gezin is de Ander meer dan het Ik.

In de Staat gaat het om rechten en plichten die voor iedereen gelden. In het gezin gaat het om het appel om het goede te doen voor elkaar. De Staat kan niet eisen dat men een ander mens liefheeft. Het gezin is de plek waar men wordt geïnspireerd voor onvoorwaardelijke en onbaatzuchtige liefde.

In de Staat gaat het om maximale bevrediging van zoveel mogelijk mensen. In het gezin zal de een desnoods het brood uit zijn mond halen om de ander te voeden.

34. Waarom denkt de mens eigenlijk?

Moest de mens alles weten, dan hoeft hij niet na te denken. Er is echter ’iets’ dat het denken doet ontwaken. Volgens Levinas is dat ’iets’ de idee van het Oneindige. De mens weet op een of andere manier dat er meer is dan wat hij weet. Dit ’meer’ is het Oneindige. Sterker nog: dit besef of dit idee van het Oneindige is geplant in de mens. De mens heeft het Oneindige niet zelf bedacht. Dat idee van het Oneindige dat in de mens opkomt, is het spoor van het Oneindige. De mens kan in zijn denken het Oneindige onmogelijk omvatten, maar dank zij dit spoor komt de idee van het Oneindige in hem op.

De mens denkt dus omdat hij beseft dat er het Oneindige is. Moest de mens oneindig zijn, dan hoeft hij niet na te denken. Bij het Oneindige is alle kennis aanwezig. Er hoeft en er kan niets aan toegevoegd worden. Daarom hoeft het Oneindige niet na te denken. De mens is echter eindig.

De consequentie hiervan is dat de mens als denkend wezen, leeft om het Oneindige te naderen. Hij zal het Oneindige nooit nabij zij, maar de mens kan er altijd dichter bij komen.

Het doel en de zin van een mensenleven is God zoeken en dichterbij komen. In wezen is alle denken hierop gericht, ook al ontkent de mens het bestaan van het Oneindige.

35. God

Volgens Levinas is de liefde alleen mogelijk door de idee van het Oneindige. Het Oneindige brengt in mij een Verlangen naar dat Oneindige. Dit Verlangen is anders dan het hedonistisch verlangen. Het is een Verlangen dat nooit bevredigd kan worden. Levinas: 'Het is een Verlangen aan gene zijde van de bevrediging’ en ’Een Verlangen dat zich niet kan vullen, dat zich voedt met zijn toename zelf’.

Maar er is meer met dit Verlangen dat in de mens wordt gelegd door het Oneindige. Het Oneindige geeft de mens het bevel zich tot de Ander te richten, te verlangen om het goede te doen voor de Ander. Dit wil zeggen dat de transcendentie (het Oneindige, God) omslaat in mijn verantwoordelijkheid voor de Ander.

36. Binnen het Zijn is goed zijn voor een Ander dwaasheid, een zwakte, een tekortschieten. Vanuit het perspectief van het Oneindige is goed zijn een excelleren, een verhevenheid boven het Zijn. Het ethische is niet een moment van het Zijn. Het ethische is anders en beter dan het zijn.

Kortom: de liefde of het goede is niet van deze wereld. We hebben God nodig om het Goede te verrichten (*).

(*) dit betekent absoluut niet dat wie niet in God gelooft, niet het goede kan doen. Dit betekent slechts dat wie het goede doet en niet in God gelooft, niet bewust is van wat het Goede of de Liefde fundeert, waar het vandaan komt.

37. In de westerse metafysica is God het hoogste Zijn,

Bij Levinas bevindt God zich aan gene zijde van het Zijn of van de fenomenale wereld. God is nooit heden geweest. Om die reden blijft God altijd een raadsel. Levinas: God wordt gezegd in een zeggen dat telkens herroepen moet worden (in mijn woorden: wat we ook zeggen over God, het is er altijd naast. God is nu eenmaal voor het kennen onkenbaar).

Mijn opvatting: de atheïst verwerpt God omdat hij God niet ziet in het Zijn. Maar God behoort niet tot het Zijn. God is transcendent, dit wil zeggen dat Hij zich bevindt aan de andere kant van het Zijn. Die andere kant is voor het kennen niet te ’grijpen’, niet te ’be-grijpen’.  Zie Psalm 40 vers 6: „Heer onze God … uw grootheid is onvergelijkelijk: wilde ik die onthullen met woorden, het was boven de macht van mijn taal”.

Voor wie niet ’filosofisch’ denkt, is het meestal moeilijk te begrijpen dat er naast het ’Zijn’ er ook een aan-gene-zijde-van-het-zijn kan zijn. Het zelfde geldt voor de tijd: het is voor de mens heel moeilijk voor te stellen dat er iets is dat ’buiten de tijd’ staat. Wat is de tijd? Wat is ’zijn’? Dat zijn vragen die zelden worden gesteld, terwijl het gaat om de meest fundamentele zaken. Daarom vind ik dat filosofie de basis van alle wetenschappen moet zijn, maar het zal nog lang duren eer de universiteiten deze weg zullen terugvinden.

Hoe kunnen we in God geloven? Op indirecte wijze: door de oproep om de Ander lief te hebben en het goede te doen, - een oproep die er al was vooraleer wij konden denken, een oproep die in elke mens vanaf de beginne is gelegd -, voelen we aan dat er een God is die deze oproep in ons heeft gelegd. God is Liefde. Nog anders gezegd: via de rede of op rationele wijze kunnen we geen argumenten vinden om het goede te doen, om een ander onbaatzuchtig en onvoorwaardelijk lief te hebben. Rationeel gezien telt het principe: voor wat, hoort wat. De Rede dicteert het sociaal contract. Maar wie alleen op rationele gronden het goede doet of aan ander lief heeft, doet dit onder bepaalde voorwaarden. Dat is het einde van de liefde. Kortom: de mens die echt menselijk is, kan niet zonder God.

38. Alle mensen zijn broeders

Geloven in God = toegewijd zijn aan de Ander; een toegewijd zijn dat mij overkomt, een oproep die voorafgaat aan mijn vrijheid.

Broederschap is de naam die wordt gegeven aan de verantwoordelijkheid voor de naaste; we zijn niet verantwoordelijk omdat wij broeders zijn, maar we zijn broeders in de mate dat we voor elkaar verantwoordelijkheid opnemen. Mijn verantwoordelijkheid is echter onafhankelijk van de verantwoordelijkheid die de Ander voor mij opneemt. Sterker nog: ik ben verantwoordelijk voor de verantwoordelijkheid van de Ander.

Broederschap is datgene wat de religie teweegbrengt: dit is een verplichting aangaan die niet ’redelijk’ is, die boven mijn verstand uitgaat. Ook een verplichting die mijn biologisch bestaan transcendeert: in de broederschap wordt mijn Ik vervangen door de Ander; dit wil zeggen dat ik leef voor de Ander, ondanks mijzelf. Levinas: „Mijn ik is ontrukt aan het begrip van het ik” en „Een ik dat uitgeleverd is aan en verantwoordelijkheid zonder maat”. Mijn verantwoordelijkheid houdt nooit op. Ik kan nooit zeggen: „Nu ben ik goed genoeg geweest”. Het Ik is door zijn ethische plicht als het ware gegijzeld door de naasten.

Deze broederschap, deze plaatsvervanging van het Ik door de Ander, is de ware getuigenis van het Oneindige. Het is ook mijn ware zelf.

Levinas: „De zinsnede waarin God zich verenigt met woorden is niet ’ik geloof in God’ … Het is het ’ziehier mij’, gezegd tot de naaste aan wie ik uitgeleverd ben en aan wie ik vrede aanzeg’.

De ethiek van de broederschap is „het onwaarschijnlijke veld waarin het Oneindige in relatie staat met het eindige”. Hier wordt de mens door God geïnspireerd en getuigt hij van het Oneindige. Levinas beklemtoont hierbij dat het niet gaat om een religieuze ervaring, maar als het resultaat van filosofisch denken over ’het Goede aan gene zijde van het Zijn’. Dit laatste wordt in de westerse filosofie over het hoofd gezien. De ethiek gaat bij Levinas vooraf aan de filosofie; dit wil zeggen dat het hier niet gaat om geloven in God of over kennis van God, maar om het getuigen van het goddelijke: „Het menselijke is niet het weten over God, maar de plaats waarin God werkt, waar God leeft”.

Een en ander betekent een fundamentele toevoeging of radicale verandering die Levinas toekent aan de westerse filosofie. Volgens Hegel is al het werkelijke redelijk en al het redelijke werkelijk’; dit is de manier waarop de westerse, rationele mens over de werkelijkheid denkt. Maar in het werkelijke zit veel onredelijks, zo sterk zelf dat de holocaust mogelijk was. De kreet van de onderdrukten en vervolgden is er het bewijs van. We moeten gehoor geven aan redenen die de rationaliteit niet kent of, met andere woorden, voorafgaand aan het werkelijke is er de ethiek, een appel dat komt van aan gene zijde van het zijn.

Hierbij wijst Levinas de rationaliteit niet af, maar hij fundeert het zodat de zin niet verloren gaat. Levinas benadrukt dat hij filosofeert en het niet heeft over een ’relgieuze ervaring’, maar hij voegt aan de filosofie een nieuwe dimensie toe: naast het Zijn is er ook een aan-gene-zijde-van-het-zijn of het Transcendente.

In zoverre wij in het Westen die dimensie onderdrukken of negeren, wordt de wereld en de mensheid zinloos. Willen we ontsnappen uit dit nihilisme, dan moeten we door ons gedrag getuigen van het appel dat het Transcendente op ons doet. Dit getuigen is niets anders dan naastenliefde, onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig. 

39. Gelukkig zijn of een goed mens zijn?

De mens kan gelukkig zijn of hij kan een goed mens zijn. Een gelukkig mens kan ook een goed mens zijn. De mens kan zijn eigen geluk opofferen om het goede te doen voor een Ander.

Geluk is het doel van de politiek. Het goede doen is het doel van de religie. Voor de politiek zijn alle mensen gelijk en hebben alle mensen recht op geluk. Voor de religie ben ik de dienaar van de Ander. De Ander staat hoger dan het Ik.

We kunnen zo gelukkig zijn, dat we ervan verzadigd zijn. We kunnen echter nooit genoeg goed zijn. Gelukkig zijn is een behoefte. Een behoefte kan bevredigd en verzadigd worden. Een verlangen is oneindig. 

In de politiek gaat het om wederzijdse erkenning, want iedereen is gelijk. Bij religie gaat het om meer dan de gelijkheid van alle mensen: het ik is verantwoordelijk voor de Anderen, het Ik stelt zich daarom nederig op, offert zich op. Is deze verantwoordelijkheid voor de naasten niet de voorwaarde voor de gelijkheid van alle mensen? Is de leider die zich ten dienste stelt van de bevolking en zijn eigenbelang desnoods ervoor opoffert, niet de leider die alle burgers als gelijken behandeld?

Deze ’religieuze’ relate van de een-voor-de-Ander, waarbij de een onvoorwaardelijk en onbaatzuchtig verantwoordelijkheid opneemt voor de Ander, is de ware relatie.

40. In de ethische relatie van de verantwoordelijkheid gaat het niet zozeer om kennis over de Ander, maar om wat de Ander aan mij openbaart. Het gelaat van de Ander drukt iets uit, namelijk ’wees goed voor mij’ (’dood mij niet’ zou Levinas zeggen, maar dat is heel breed bedoeld: iemand negeren is hem in zekere zin dood wensen). Om te weten wat de Ander aan mij openbaart, is het gesprek van mij met de Ander essentieel. In het gesprek wordt de Ander als Ander erkent. Het gesprek is de originele relatie met wat buiten mij ligt, dit is met de exterioriteit. De ondertitel van een van de hoofdwerken van Levinas, ’De totaliteit en het Oneindige’, is ’Essay over de exterioriteit’.

De absolute ervaring is niet de onthulling (dit is de objectieve kennis verwerven), maar de openbaring. De relatie die ik heb met de Ander is meer dan de kennis die ik over hem heb. Mijn relatie met de Ander is van een hoger niveau dan mijn relatie met een ding (alhoewel de mens anderen als objecten kan zien en behandelen, wat uiteraard het meest onmenselijke is).

In welke zin is mijn relatie met de Ander meer dan wat de objectiviteit mij leert: als ethische relatie van de verantwoordelijkheid. Hier ligt ook de waarheid over de mens: de rechtvaardigheid die ik waar maak door mijn verantwoordelijkheid voor de Ander op te nemen.

De ware rechtvaardigheid ligt in de erkenning dat de Ander hoger staat dan het Ik. Dat is precies wat de Ander aan mij openbaart.

Deze visie over de relatie met de Ander verschilt van de traditionele westerse opvatting: het Ik wordt bij dit laatste bepaald door de rede. Bij Levinas wordt het Ik bepaald door zijn ethische verantwoordelijkheid. Deze ethiek transcendeert de Rede. Met de Rede kunnen we niet de openbaring ontdekken, kunnen we niet afleiden waarom we verantwoordelijk zouden moeten zijn. De Rede gaat over de vraag wat objectief is, niet over wat zinvol is. De zin van ons leven wordt niet ontdekt door de logica, maar in het gesprek face à face. Het gelaat van de Ander is niet te objectiveren. Het drukt iets uit dat de logica en de objectieve waarneming overstijgt.

In de terminologie van Levinas: „Het gesprek stelt een relatie in die niet te herleiden is tot een relatie van het subject tot het  object”. Er is oneindig veel meer dan de objectieve kennis die ik over een Ander heb. Ik kan een Ander nooit volledig kennen; ik kan hem nooit tenvolle be-’grijpen’; hij valt altijd buiten mijn greep (alhoewel we in de praktijk, als we de Ander als een ding beschouwen, kunnen handelen alsof de Ander volledig in onze macht ligt. Ook dit is het meest onmenselijke en dat vond zijn apotheose in de holocaust).

We moeten daarom steeds in verwondering openstaan voor wat een ander mens ons openbaart.

41. Zonder dat Levinas het zelf aangeeft, vinden we bij hem de argumenten om diagnostische  labels, zoals gebruikt door psychiaters en psychologen, scherp te veroordelen. Dit leidt tot een radicaal ander paradigma voor de psyhotherapie en voor de geestelijke gezondheidszorg in het algemeen. Straks zal ik op dit laatste punt ingaan, want het heeft ook mijn orthopedagogische praktijk grondig beïnvloed.

Levinas: „Alleen de mens weerstaat alle typologie, alle indeling, alle karakterologie, alle classificatie”. Hij pleit voor een kennis van de mens die verder gaat dan de mens als object. De vrijheid van de mens ligt juist in zijn anders-zijn. Mijn relatie tot de Ander is geen relatie met een object. Elke mens heeft zijn eigen zin.

Een eigenschap aan iemand toekennen is hem herleiden tot wat hij gemeen heeft met anderen. Maar wat is echt eigen aan het individu?  Om daar antwoord op te kunnen geven, moet ik openstaan voor wat de Ander aan mij openbaart. Dat is precies zijn appel tot mij om mijn verantwoordelijkheid voor hem op te nemen, om goed te zijn voor hem. Levinas drukt dit heel sterk uit: „De Ander erkennen is een honger erkennen” (de Ander hongert naar mijn goedheid) en „De Ander erkennen, dat is geven” (want de Ander is mijn meerdere; mijn verantwoordelijkheid voor hem opnemen is de Ander dienen).

De tegenwoordigheid van de Ander is een in vraag stellen van mijn geluk om de wereld te bezitten. Ik ben bijvoorbeeld ook verantwoordelijk voor de planeet Aarde waarop de toekomstige generaties moeten kunnen leven.

Wat betekent dit nu voor de psychotherapie en de hulpverlening in het algemeen? Kort gezegd gaat het om het volgende: zodra iemand die hulp behoeft zich bij mij aanmeldt, ben ik voor hem verantwoordelijk. Ik kan hem niet op een wachtlijst plaatsen. Het vereist mijn onbaatzuchtige en onvoorwaardelijke inzet. Desnoods moet ik mijn vrije tijd voor hem opofferen. Kan hij mij niet betalen, dan doe ik het gratis. Psychotherapie en hulpverlening is een relatie aangaan van mens tot mens, waarin de Ander absolute voorrang heeft.

Een tweede gevolgtrekking die hiermee samenhangt, is dat ik de Ander zie als een vrij mens. Een autist kan zich ook niet-autistisch gedragen. Een mens die als agressief wordt bestempeld, voor wie alle diagnostische tests wijzen op een agressieve persoonlijkheid, kan op een gegeven moment zeggen: ’Vanaf nu ben ik niet meer agressief’. Wie gelooft dat dit niet het geval kan zijn, neemt aan dat de mens louter een product is van biologische en sociale factoren. Deze factoren spelen natuurlijk een rol, maar toch is de mens vrij. Vanuit deze aanname wordt psychotherapie een kwestie van de Ander inspireren om zich als een goed mens te gedragen. In welke instelling voor geestelijke gezondheidszorg worden de cliënten door de hulpverleners geïnspireerd voor het goede?

42. Een waarachtige relatie met God is een relatie die bevrijd is van mythen. Het is ook niet een objectiveren van God. In zekere zin moet je eerst atheïst zijn geweest om die waarachtige relatie te kunnen aangaan. Atheïsme wordt hier gedefinieerd als een bevrijding van mythen en van een godsdienst die afgoderij is.

Een waarachtige relatie is luisteren naar het goddelijk woord. Vandaar dat de studie van de Heilige Schriften wezenlijk is om die relatie aan te gaan. Die Schriften zijn de liefdesbrieven die God aan ons heeft gericht.

Wat zegt God in die Heilige Schriften: dat onze relatie met Hem via de naasten verloopt. Vandaar dat compassie en naastenliefde de kern vormen van wat die Schriften ons te zeggen hebben. Levinas: „De relatie met het Transcendente is een sociale relatie”. God roept op tot rechtvaardigheid. Alleen via de rechtvaardigheid krijgen we toegang tot God. Metafysica speelt zich af in de sociale relaties. Kennis van God is onmogelijk zonder verband met de sociale relaties. De Ander is diegene via wie God zich aan ons openbaart. Een primitieve vorm van religie staat los van de intermenselijke relaties. Zo’n religie valt samen met een gebrek aan compassie voor de naasten.

De zintuiglijke ervaring leidt tot de fysica. Hier gaat het om kennis.

De intermenselijke relaties leiden tot de metafysica. Hier gaat het om wijsheid.

De fysica ziet de werkelijkheid als een totaliteit. Die totaliteit wordt benaderd alsof het eindig is. Kennis streeft naar begrijpen van de werkelijkheid, dit wil zeggen naar macht over de werkelijkheid.

De metafysica gaat over het Oneindige dat de mens nooit kan omvatten. Er blijft een oneindige afstand tussen het Oneindige en de mens. Metafysica zoekt het Oneindige via de moraal.

43. Het natuurwetenschappelijk denken ziet de mens als object die gekend, begrepen en gemanipuleerd kan worden. In het metafysische denken wordt de mens gezien in relatie tot het Oneindige, dit wil zeggen dat ik in mijn relatie tot de Ander verantwoording moet afleggen ten aanzien van het Oneindige. Die verantwoordling ligt in de verantwoordelijkheid die ik opneem voor de Ander.

De religie maakt ons bewust van deze verantwoordelijkheid. De ontkerkelijking zou kunnen betekenen dat we meer ik-gericht zijn en ons minder verantwoordelijk voelen voor de anderen. Zonder religie zijn de sociale relaties een kwestie van sociaal contract. De religieuze mens vraagt niets terug, geeft slechts. Zonder religie claimt het individu zijn vrijheid. Met religie maakt het individu van zijn vrijheid gebruik om anderen te dienen.

Volgens Levinas is de mens met vrijheid ’bekleed’. Vrijheid is een opdracht.

Door wie zijn we met vrijheid bekleed? Door God. De oorsprong van onze vrijheid ligt in het geschapen zijn door God. Daarom kan alleen God ons vrij maken en dat loopt via de naaste.

44. De westerse filosofische traditie is de triomf van het Ik. Relaties met anderen worden gezien in het licht van een universele orde (het Ik ziet bijvoorbeeld de ander als blank of zwart, als gelovig of ongelovig … allemaal categorieën van een universele orde). Ideeën hebben voorrang op de personen. Ideeën zijn neutraal.

Bij Levinas gaat het om het ontsnappen uit het neutrale en uit het herleiden van de Ander tot een idee, uit het begrip dat ik van hem heb, uit de universele orde waarin ik hem plaats. Ik moet openstaan voor de Ander, dit is voor het appel dat van de Ander uitgaat. Dit zijn voorwaarden voor mijn vrijheid, waardoor ik de neutrale universele orde doorbreek, en voor de persoonlijke zin van mijn bestaan. De Ander ontsnapt hierdoor aan mijn kennis van hem (want die kennis is altijd beperkt, verhindert mij om voor de Ander open te staan en is daarom onrechtvaardig). Levinas leert ons hoe we de Ander als unieke persoon, als onvervangbaar individu kunnen benaderen. Is dit niet een voorwaarde voor menselijke omgang?

Ik doorbreek de universele orde als ik opensta voor het Oneindige dat via de Ander mij toespreekt. Als ik leef door en voor de Ander, kom ik het Eeuwig Leven binnen. Via de verantwoordelijkheid die ik opneem voor de Ander - eender wie -, kom ik tot het Oneindige, dit is tot God. Op een menselijke wijze met anderen omgaan is de ware religie en verder hoeven we het niet te zoeken. Ik durf het nog sterker uit te drukken: het gaat niet om al of niet geloven in God, maar om geloven in de mens. Dat laatste zal voor God voldoende zijn. Een atheïst kan dus best diep religieus zijn.

Levinas noemt dit het wonder van de schepping, namelijk dat een wezen wordt geschapen dat ontvankelijk kan zijn voor de openbaring, dat weet dat hij geschapen is en zichzelf daarom in vraag stelt. Het mirakel van de schepping is de creatie van een moreel wezen. Ook hier zien we de prioriteit die wordt gegeven aan de relatie met de Ander, want we kunnen slechts een moreel wezen zijn in relatie tot anderen.

We overstijgen de ontologie (de objectieve wereld van de zijnden) door de rechtvaardigheid.

Deze overweging wijst op het onderscheid tussen de totalitaire staat en de menselijke samenleving. In de totalitaire staat worden de mensen gezien vanuit een idee, vanuit de dogmas. De mensen worden gedwongen zich daaraan aan te passen. Er is een dwingende autoriteit.

In de menselijke samenleving heerst vrijheid. Elk individu is vrij. De leiders geven het voorbeeld van hoe van zijn persoonlijke vrijheid gebruik te maken, namelijk om zijn verantwoordelijkheid voor de Anderen op te nemen. In plaats van een dwingende autoriteit is hier sprake van moreel gezag en inspirerende leiders.

45. De taal speelt een essentiële rol in het openstaan voor de Ander. Zelfs de stilte spreekt tot mij. Via de taal drukt de Ander zich uit. 

De Ander verschijnt aan mij: dat is het begin van de ervaring; het initiatief ligt bij de Ander. Een object neem ik waar; hier gaat het initiatief van mij uit.

Als ik de Ander waarneem vanuit mijn denkschema’s (en mijn behoeften), krijg ik greep op hem, wat het begin is van alle onrecht. Om de ware betekenis van de Ander te vatten, moet ik luisteren naar wat hij mij openbaart. De zingeving wordt altijd  op het niveau van de relaties met de Ander ontdekt. De Ander ’onderricht’ mij: het ’meer’ ligt bij de Ander ( dit wil zeggen dat  de Ander de totaliteit doorbreekt en een opening maakt naar het Absolute). Het woord van de Ander is de oorsprong van elke betekenis.

Bovenstaande speelt in mijn therapeutische praktijk een centrale rol. Ik heb het bijvoorbeeld niet over autisten of over ADHD-kinderen of over psychopatische volwassenen. Ik beoordeel of classificeer mensen niet vanuit mijn denkkaders. Ik benader mijn cliënten als unieke personen die een eigen bijdrage aan de samenleving kunnen bieden. Het is mijn taak hen daarin te stimuleren. Uiteraard bedoel ik hier een moreel verantwoorde bijdrage. Wie anderen leed toebrengt, moet daartoe weerhouden worden. Daar hebben we de rechtspraak voor. Maar ik ben geen rechter. Als therapeut biedt ik mensen nieuwe kansen, nadat recht is gesproken. Hetzelfde geldt voor kinderen die te lastig zijn om op een normale school te houden. De noodzakelijke maatregelen moeten worden genomen om dit kind ofwel te leren zich acceptabel te gedragen, ofwel te plaatsen in een school waar hij dank zij specialistische hulp zich toch zo goed mogelijk kan ontplooien. Vanuit deze visie wordt niemand veroordeeld, afgezonderd of afgewezen. Voor allen, zonder uitzondering, zijn we verantwoordelijk. Mensen zijn geen manipuleerbare objecten, of objecten die we al of niet kunnen afwijzen. Ik kan de ander niet beoordelen vanuit mijn behoeften. Dat zou indruisen tegen het wezen van de moraal. Als morele wezens zijn we juist uniek omdat we onvoorwaardelijk ons verantwoordelijk voelen voor anderen. Ieder mens moet weten dat anderen om hem geven: dit is de noodzakelijke voorwaarde voor een menselijke samenleving.

We zien dit laatste dagelijks in onze eigen omgeving of we hebben het als kind zelf ervaren: onze vader en onze moeder hebben zo van ons gehouden, dat wat we ook deden zij altijd om ons gaven. Zelfs de moeder van de verschriikkelijkse moordenaar houdt nog van hem.





overzicht teksten:

   © Juliaan Van Acker 2020