http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Kinderbeschermingsverhalen: veroordeelde meisjes

Mijn laatste boek ’Seksueel losbandig en hysterisch is verschenen op 15 januari 2018 (LINK)

991514881995248

In dit boek beschrijf ik eerst casussen van vóór mijn tijd, periode 1948-1973; daarna casussen die ik in behandeling had tussen 1975 en 2001. Op basis van mijn klinische werk gedurende de afgelopen vijftig jaar ontwikkel ik in dit boek mijn therapeutische visie.

Dit boek gaat ondermeer over de periode waarin ik directeur was van het ’Rijkskliniek- en opvoedingsgesticht’ in de Werkhuisstraat te Brugge. Over deze inrichting verscheen in Montanus tijdingen 2016 het volgende artikel:

MEDISCHE ZORG IN HET RIJKSOPVOEDINGSGESTICHT TE BRUGGE (1927 – 1975)

Karel De Clerck

Onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog stelde de toenmalige minister van Justitie Emile Vandervelde een commissie aan die belast werd met een onderzoek naar de werking en organisatie van de jeugdinstellingen en die hieromtrent adviezen ter verbetering diende te formuleren. Eén van de voorstellen van de commissie hield de oprichting in van een kliniek voor meisjes besmet met een geslachtsziekte. Die kliniek kwam er in 1922 en werd ondergebracht in gebouwen aan de Werkhuisstraat (waar voordien een bedelaarsgesticht was gehuisvest). Daar diende vooral vermeden te worden dat de minderjarige meisjes, waarvan de meerderheid ten gevolge van zedenfeiten was geplaatst, opnieuw zouden hervallen. Ze werden toevertrouwd aan zusters van de Heilige Familie, die de harde aanpak niet schuwden en voor het kleinste vergrijp straffen uitdeelden. De geneeskundige behandeling kwam onder verantwoordelijkheid van gynaecoloog A. Depoorter (wonende in de Ridderstraat).

Vanaf 1927 boden de gebouwen in de Werkhuisstraat ook onderdak aan een andere categorie van delinquente meisjes. Los van de Rijkskliniek werd dan gestart met een "Rijksopvoedingsgesticht voor lastige of weerspannige meisjes" (Etablissement d' Education de l' Etat pour filles difficiles ou indisciplinées). De minderjarigen die daar werden geplaatst door jeugdrechters, behoorden tot de zwaarste groep van criminele jongeren. Pas wanneer hun gedrag verbeterde, konden ze overgebracht worden naar het Rijksopvoedingsgesticht van Saint-Servais, waar een minder streng tuchtregime heerste. In Brugge stonden ze (zoals in de Rijkskliniek) onder bewaking van zusters van de Heilige Familie, die strikt het tuchtreglement toepasten dat het Ministerie van Justitie had opgesteld. Zoiets betekende o.m. dat van de meisjes verwacht werd: het respecteren van algemene stilte, het betonen van nauwgezette gehoorzaamheid, het zonder tegenspreken onmiddellijk uitvoeren van bevelen, het mijden van elk contact met de verpleegden van de Rijkskliniek. Wie opzettelijk en kwaadwillig wanorde veroorzaakte (bijv. door roepen of zingen), kon opgesloten worden in een isoleercel, kon een deel van het voedsel onthouden worden of kon matras en deken afgenomen worden. De zusters hielden permanent toezicht over de meisjes, lieten ze vrouwelijk handwerk verrichten, zorgden ervoor dat ze elkaar niet aanraakten, verhinderden dat ze met meer dan drie samen wandelden of dat ze voorwerpen meenamen. Aan straffen ontbrak het trouwens niet: de zusters mochten familiebezoek verbieden, briefwisseling achterhouden, persoonlijke spullen afnemen, aangerichte schade door de meisjes zelf laten herstellen.

Dat regime onderging gedurende dertig jaar geen noemenswaardige wijzigingen. We blijven er dan ook niet bij stilstaan. Pas in de tweede helft van de jaren vijftig was er sprake van een kentering. Toen de zusters het steeds moeilijker kregen om de orde te handhaven, greep de bevoegde overheid in. Albert Lilar, de liberale minister van Justitie in het kabinet van Achiel Van Acker (1954-1958), liet de zusters vertrekken en poogde door middel van vacatureberichten geschikt personeel in dienst te nemen. Op korte termijn gingen een psychiater, een gynaecologe, een kinesiste, een psychologe, een maatschappelijk assistente, een regentes en enkele opvoedsters aan de slag in de Werkhuisstraat. Er werd ook een directrice aangesteld. Bijna gelijktijdig formuleerde het ministerie een reeks van “nieuwe wederopvoedingsmethodes”, met als voornaamste doel de jeugdige delinquenten beter voor te bereiden op het leven in de maatschappij. Daarom moest o.m. een onderscheid worden gemaakt tussen “positieve sancties” (= aanmoediging en beloning) en “negatieve sancties” (= berisping, ontzegging van genoegens, isolering).

De psychiater, dr. Robert Vandierendonck, de gynaecologe, dr. Irène Dendooven, en de psychologe, Maria Demeulemeester, vormden een goed samenwerkend team. Zij hielden van elk meisje een dossier bij, zodat problemen en evoluties op de voet konden gevolgd worden. Tevens beschikten zij over alle gegevens van de jeugdrechtbank en informeerden regelmatig de betrokken jeugdrechters. Hun opdracht was niet eenvoudig, want in de meeste gevallen werden zij geconfronteerd met meisjes die uit ontwrichte gezinnen kwamen, die angstig en onzeker waren, die zich uitgestoten voelden en die al heel jong geslachtsdriften kenden. Hoezeer de artsen en de psychologe zich inspanden (vaak ook gesteund door aalmoezenier Antoon Viaene), toch bleef het lastig om de erfelijke factoren weg te werken. Het toedienen van medicatie was derhalve harde noodzakelijkheid.

Positieve ontwikkelingen mochten evenwel ook genoteerd worden. Zo zorgde kinesiste Madeleine Dendooven ervoor dat meer aandacht ging naar lichamelijke opvoeding, bewegingstherapie, verbetering van de houding, evenwichtsoefeningen en lenigheid. Op die manier werd gepoogd geweldloosheid na te streven. Daarnaast moedigde men de meisjes aan tot het verrichten van knutselwerk, het bevorderen van huishoudelijke activiteiten en het verfijnen van smaak. De meisjes kregen bovendien kooklessen, naailessen, was- en strijkcursussen en konden beschikken over ateliers om te weven, te breien, te coifferen en te borduren. Er werd zowel in groep als individueel gewerkt, maar steeds onder toezicht van opvoedsters. Die personeelsleden waren echter voor het merendeel vrij jong en hadden het niet altijd gemakkelijk om de groep meisjes van 16 tot 21 jaar (bijna leeftijdsgenoten) in bedwang te houden.

Om de toestand in de Werkhuisstraat te kunnen evalueren stuurde het ministerie van Justitie op geregelde tijdstippen inspecteurs naar de instelling. Hun rapporten (vooral op medisch en pedagogisch vlak) maakten meer dan eens melding van de onervarenheid van jonge opvoedsters en van het wisselend personeelsbestand. De golden sixties boden immers aantrekkelijker arbeidsvoorwaarden in andere sectoren dan een opvoedingsgesticht. Door het komen en gaan van werkneemsters, maar ook door een iets losser beleid (o.m. het binnenbrengen van televisietoestellen en het geven van filmvertoningen) traden de sensuele meisjes soms provocerend op, hetgeen dan weer negatieve reacties uitlokte. Chaotische situaties hadden als gevolg dat de directrice de moed verloor en ernstig ziek werd.

Eén van de inspecteurs die het gesticht herhaaldelijk controleerde, de Bruggeling J. Van Acker, adviseerde toen zijn administratie om de instelling op te doeken. Niet onmiddellijk werd op dat voorstel ingegaan. Het ministerie draalde, overwoog zelfs bouwterrein te kopen op het grondgebied Assebroek, maar uiteindelijk liet men die plannen in de lade liggen. Zo kreeg J. Van Acker de bal teruggekaatst. In 1971 mocht hij een onderzoek starten met betrekking tot de specifieke geaardheid van de in Brugge opgesloten meisjes. De resultaten van dat onderzoek legden J. Van Acker geen windeieren. In 1973 werd hij door het ministerie van Justitie belast met de leiding van het Rijksopvoedingsgesticht. Onmiddellijk ging hij op verkenning uit: hij voerde gesprekken met verscheidene jeugdrechters, interviewde alle personeelsleden en legde vragenlijsten voor aan de meisjes. Zijn bedoeling was een sfeer van vertrouwen te scheppen en de regelgeving soepeler te maken. Die aanpak viel niet bij iedereen in goede aarde. Vooral zijn “beloningssysteem” botste op weerstand. Toen hij ook moeite deed om de huisvesting te verfraaien en het oude (kazerneachtig) gebouw een nieuwe indeling te geven, besloot het ministerie om toch een andere locatie te zoeken. Begin 1975 viel de beslissing: er zou verhuisd worden naar de Sint-Andreaslaan te Beernem. Kort daarop liet Van Acker (teleurgesteld ? misnoegd ?) weten dat hij een punt zette achter zijn opdracht en naar Nederland trok. In november 1975 gingen de deuren in de Werkhuisstraat definitief dicht. Een halve eeuw sociale geschiedenis was afgesloten. De meeste personeelsleden (de medische kern incluis) stapten over naar Beernem, waar de nieuwe instelling werd omgedoopt tot Rijksorthopedagogisch Centrum voor meisjes.

naschrift: Aan de redactie van Montanus Tijdingen stuurde ik de volgende mail:

Geachte redactie,

Toevallig ontdekte ik in Montanus Tijdingen 2016, blz. 83-85 een artikel van Karel De Clerck over het Rijkskliniek- en opvoedingsgesticht te Brugge, waar ik van 1973-1975 directeur was. Het is een mooi artikel dat ik waardeer. 

Op blz. 85 stelt de auteur zich de vraag of ik teleurgesteld, dan wel misnoegd ontslag heb genomen. Het antwoord is dat ik zag dat ik de volgende twintig jaar geen stap vooruit zou kunnen maken, wegens gebrek aan bevoegd personeel en de inmenging van de politiek bij de aanstelling van nieuw personeel.

Nederland bood mij wel die kansen. Vier jaar na mijn vertrek was ik al hoogleraar in Nijmegen.

Over mijn periode in de Werkhuisstraat heb ik dit jaar een boek gepubliceerd. Dit boek biedt een aardig overzicht van de psychiatrische en psychologische behandeling tussen 1950 en 1975. Meer informatie hierover:  https://www.boekenbestellen.nl/boek/seksueel-losbandig-en-hysterisch/9789082021325


Kunt u deze mail doorsturen naar Karel De Clerck?

Vriendelijke groet,

 

HOME

   © Juliaan Van Acker 2018