http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Alberta

(Persoonlijkheidsdossier opgemaakt in 1963 betreffende W. Alberta, geboren te Hofstade op 23 augustus 1946, pupil van de Heer Kinderrechter van Mechelen. Alberta was toen 17 jaar 2 maanden).

Motief: ontucht en diefstal. Ontvluchtingen uit de ouderlijke woning. De ouders leggen klacht neer.

Plaatsingen:

1962: Margaretha van Cortona

juli 1963: Maison d’Accueil te Parijs, daarna Monastère St.Michel te Cheville sur Seine

eind juli 1963: Rijksopvoedingsgesticht te Brugge.

Sociale enquête (oktober 1962)

A. Familiale anamnese

Vader: Adhemar W., geboren te Hofstade in 1917. Hij schijnt in zijn kinderjaren een kapoen te zijn geweest die allerlei fratsen uithaalde op het ouderlijk erf. Maar het was een goede jongen. Hij liep school tot 15 jaar en heeft twee jaar een technische opleiding gevolgd te Mechelen. Daarna heeft hij geholpen op de boerderij en groentekwekerij van zijn ouders tot de leeftijd van 24 jaar. Hij is toen getrouwd. Daarna heeft hij gewerkt in een atelier. Volgens Alberta zou hij enkele maanden na de geboorte van haar oudste zus, in 1942 ongeveer, naar Zuid-Frankrijk gevlucht zijn met een oom. Hij zou in Menton de verliefdheid van de dochter van een bakker uitgebuit hebben om aan brood te geraken. Terug in België is hij stoker geworden op de trein, eerst op een stoomtrein en daarna op een elektrische trein.

Hij geniet een goede gezondheid. Er heerst een goede verstandhouding tussen de echtgenoten. Vader heeft altijd zijn loon af aan zijn vrouw. Hij drinkt niet, rookt niet en gaat nooit uit. Hij toont veel begrip voor zijn kinderen en houdt veel van Alberta, die ten andere makkelijker opmerkingen van hem aanvaardt dan van moeder. In zijn vrije tijd knutselt hij voor zijn gezin. Hij maakte bijvoorbeeld voor de gehele familie t-v.-antennes. Zij hebben nu een auto en ze reden regelmatig ergens naar toe met het gehele gezin, ook met de verloofde van haar zuster.

Vaderlijke grootvader: ongeveer 80 jaar oud. Is hovenier-boer. Hij sukkelt wat met zijn gezondheid.

Vaderlijke grootmoeder: is al lang geleden gestorven.

Ooms en tantes: er waren dertien  kinderen, waarvan er reeds meerdere overleden zijn. Alberta zegt dat het onmogelijk is dat er dertien waren, Ze kan er vijf opnoemen: 

Louise: is getrouwd met een spoorwegbediende. 

Yvette: getrouwd met een boer. Zij heeft twee kinderen.

Jan: hij is een buitenbeentje in de familie. Vooral zijn vrouw deugt niet. Ze hebben zeven of acht kinderen. Ze hebben nooit contact gehad met het gezin, zijn zeer dikwijls verhuisd en hun woonst is nu onbekend.

Suzanne: is getrouwd met een veldwachter en heeft twee kinderen.

Charel: hij is hovenier en heeft twee kinderen.

De familie heeft regelmatig contact met elkaar.

Moeder: is geboren in 1914. Zij liep lagere school en is dan een tijdje thuis gebleven. Daarna is zij in dienst gegaan. Haar zusters schenen tamelijk jaloers op haar te zijn omdat ze mooiere kleedjes had en voorgetrokken werd door haar moeder. Zij is nog een van die mensen die de hele dag in de weer zijn voor hun gezin en geen interesse hebben buiten het huishouden. Zij slooft zich af. Moreel en fysiek lijdt ze erg onder het gedrag van haar dochter. In drie maanden tijd is ze zestien kg vermagerd. Zij kan zich niet over de feiten heen zetten en komt er voortdurend op terug. Dit ergert Alberta, wat hun verhouding, die al enkele jaren zeer gespannen is, nog meer bemoeilijkt.

Moederlijke grootvader: is rond 1950 van ouderdom gestorven.

Moederlijke grootmoeder: is gestorven door een hartziekte en van verdriet om haar zoon die in Duitsland omgekomen is op een gedynamiseerde boot.

Ooms en tantes: volgens het dossier waren het er zeventien, waarvan nog verschillende landbouwers en tuiniers zijn. Verder valt er niets speciaal te melden.

Broers en zussen: Alberta heeft een oudere zus en had een oudere broer. Haar zus is een stil meisje, dat zeer goed studeerde en waarover thuis of op school nooit klachten waren. Zij was een voorbeeld op alle gebied. Niettegenstaande Alberta jaloers is op haar en haar poogt langs alle kanten te kort te doen, brengt haar zus steeds geschenken mee bij bezoek en is heel lief tegen haar. Zij is verloofd. 

Haar oudere broer is overleden toen hij nog klein was. Volgens Alberta was hij pas drie maanden oud. Hij had stuipen en ook pneumonie.

Milieu: het gezin bewoont een grote arbeiderswoning, een huurhuis, ruim en uitermate goed onderhouden. De gezinsleden hebben absoluut niets tekort. De moeder zorgt goed voor alles. Zij maakt groenten en fruit in op tijd. Vader geeft volledig zijn loon af voor het huishouden, want er is niet veel aan ontspanning uitgegeven. Dit is veranderd sedert er een auto is en er is ook al televisie. De verstandhouding tussen beide echtgenoten is goed. Ze doen alles wat ze kunnen voor hun kinderen. Ondanks dit alles voelde Alberta zich steeds te kort gedaan en was vooral opstandig tegenover haar moeder. Ze verweet haar achteruit te zetten bij haar zuster. Alberta vindt ook dat haar ouders niet het recht hebben haar ontvluchtingen te verwijten, daar zij er zelf oorzaak van zijn. Haar moeder vindt ze een zaag die haar alles verbood en tekort doet.


B. Individuele anamnese

De geboorte was normaal, maar de bevalling was lang en moeilijk, wat ook gold voor de twee andere kinderen. Buiten enkele kinderziekten, is ze nooit ernstig ziek geweest.

Van kleins af had zij een eigenaardig karakter. Ze was erg lief, doch buitte elk ogenblik van toegeving uit om kattenkwaad uit te halen ofwel om iemand een toer te lappen. Bijvoorbeeld als vader haar op zijn armen nam, kon ze zo lief doen dat hij niet eens merkte dat ze bezig was iets uit zijn zakken te halen. Zo onbetrouwbaar was ze.

Op school leerde ze makkelijk, maar was altijd een echte plantrekster. Ze ondertekende zelf haar rapporten en op den duur had ze er twee: een voor school die ze zelf ondertekende en een voor haar vader die ze zelf invulde. Zij leerde nooit haar les en maakte nooit haar huiswerk. Als ze te laat thuis kwam stak ze haar fietsbanden stuk om een excuus te hebben. Voor al haar ondernemingen had zij een uitleg die aanvaardbaar scheen, maar nooit met de waarheid strookte. Zij trachtte steeds van huis weg te zijn, omdat zij de braafheid van haar zus niet kon verdragen. Zij legde reeds een neiging tot verdwijning aan de dag vanaf de leeftijd van negen jaar. Zij bleef weg en werd ’s avonds ergens in de gemeente teruggevonden. Ze was ook erg jaloers op haar zuster.

In 1961 volgde zij de derde beroepsklas in het O.L. Vrouwinstituut. Na een brief van de overste aan de ouders over het spijbelen en slecht studeren, kreeg ze een strenge berisping van haar moeder. Als reactie ontvluchtte zij op 14 juni 1961 voor het eerst van huis. Later beweerde zij dat zij zich al vanaf haar dertiende verstoten voelde door haar ouders en vooral dan door haar moeder, die al haar genegenheid zou schenken aan haar zuster. Zij was ontvlucht uit schrik om ruzie te krijgen na een nieuw slecht rapport. Zij vluchtte naar Brussel, waar ze kennis aanknoopte met een vreemde jongen et wie ze betrekkingen onderhield. Toen was zij 14 jaar en 10 maanden oud. Na twee dagen werd ze door de politie opgepikt toen ze op een fruitmarkt fruit hielp afladen om wat geld te verdienen om eten te kopen. Zij werd afgehaald door haar moeder en zuster.

Haar moeder maakte voortdurend opmerkingen daarover en kon het onderwerp niet laten rusten. Alberta vond dat ze nog minder genegenheid toonde dan vroeger. Zij voelde zich nog ellendiger. Haar vader noemde haar in die periode lui en leugenachtig en dat ze voor niets deugde in het huishouden.

Op 16 juli 1962 ontvluchtte zij opnieuw. Zij had toestemming gekregen om naar een tante te gaan, maar ze was naar de kermis in Duffel geweest. Zij kwam bevuild en beslijkt terug thuis. Na een berisping van haar moeder liep ze van huis weg met de fiets van haar moeder. Die fiets liet ze ergens achter. Per auto-stop kwam ze in Oostende, waar ze hele nachten in dancings doorbracht en overdag ging ze slapen op het strand. Ze bedelde om brood te kopen. Zij beweert ook gelogeerd te hebben bij een Zwitser. Ze stal bij hem een mantel en trok toen naar Brussel, waar ze gelogeerd heeft bij een oudere man. Van diens korte afwezigheid heeft ze gebruik gemaakt om een schrijfmachine te stelen en weg te gaan. Van Brussel ging ze naar Charleroi waar ze twee nachten bij een vrouw heeft verbleven met wie ze homoseksuele betrekkingen onderhield. Daar stal ze een draagbare radio. Ze is toen de Franse grens gepasseerd om naar Maubeuge te gaan. Aan de grenswachters diste ze het verhaal op dat ze een Schots meisje was dat naar Parijs ging. Haar broer had autopech gehad en die had haar paspoort bij. Later, in het opvoedingsgesticht, vertelde ze dat ze met een douanier betrekkingen moest hebben om doorgelaten te worden. Ze lifte door tot Marseille, Lourdes, Rouen, Versailles en Parijs. Op de Place Pigalle wordt ze door de politie opgepakt. Zij beweert dat ze vrijgelaten werd door de politiecommissaris na de nacht met hem doorgebracht te hebben. Ze kreeg van hem 2000 frank. ’s Anderendaags ging ze naar Orleans en een dag later was ze opnieuw terug in Parijs. Ze hield betrekkingen met wie ze ontmoette en vroeg op voorhand 600 frank per nacht. Ze woonde ook vier dagen bij een Zwitser van wie ze 2000 frank stal en ze liep weg terwijl hij in de badkamer was. Ze vluchtte toen naar Zuid-Frankrijk  en in de auto die haar meenam stal ze 5000 frank uit de handtas die naast haar stond. In Le Puy kocht ze nieuwe kleren en ze liet haar haar blond verven om niet herkend te worden. Ze werd niettemin opgepakt en ze verbleef veertien dagen in de gevangenis. Haar ouders kwamen haar ophalen en betaalden 20.000 frank om al de benadeelden schadeloos te stellen.

Terug thuis vond ze dat ze niet goed behandeld werd en daar haar ouders de feiten steeds oprakelden. Nochtans hadden zij om haar content te stellen haar op enkele weken tijds drie nieuwe jurken, twee paar schoenen en een handtas gekocht. Doch hoe meer ze kreeg, hoe meer ze eiste.

Zij ontvluchtte opnieuw op 27 september 1962 terwijl haar ouders afwezig waren. Ze stal van hen 4000 frank, gratis treinkaartjes en kleren van haar zuster. Via Brussel geraakte ze in Oostende, waar ze reeds de eerste avond betrekkingen onderhield. Zij ging werken als dienster in de dancings ’Stefano’, ’Stereo’ en ’Madison’. Ze schijnt een kamer in de stad gehad te hebben, waar ze mannen ontving. Zij zegt voor 2000 frank per keer. Zij stal de portefeuille van een andere dienster uit de Madison en gebruikte dezes paspoort om in andere cafe’s werk te zoeken. Zij stal ook een schotse broek uit een luxe-winkel op een gedurfde manier en stelde zich brutaal op toen ze nadien op straat door de verkoopster werd herkend en aangesproken. Ze verdween naar Brussel en liet haar koffer achter in een winkel. Zij bleef verschillende dagen in Brussel, waar ze meerdere nachten doorbracht met mannen. Ze stal er ook een lederen broek.

Op 4 oktober 1962 dienden de ouders een klacht in tegen Alberta. Tot nog toe hadden ze slechts de verdwijning medegedeeld en haar terug thuis aanvaard. Nu vroegen ze de tussen komst van de Kinderrechter en plaatsing bij een eventuele opsporing.


B. Feiten, plaatsingen, rapporten

Oktober 1962: Alberta is ten einde raad. Zij is bij de onderpastoor van Lot, die ze van vroeger kende, raad gaan vragen. Deze laat haar ophalen door de politie die hij opgebeld heeft. Alberta weigert naar huis terug te keren en vraagt om geplaatst te worden. Zij kan nog niet laten van hardnekkig te liegen als men haar vraagt of het gestolen paspoort de hare is. Bij de politie beweert ze dat ze thuis verstoten is, dat ze zich doodongelukkig voelt, enzovoort. Ze zegt wel spijt te hebben over wat ze heeft gedaan en dat ze ervoor zal zorgen zich beter te gedragen.

Op 12 oktober wordt ze geplaatst in St.-Margaretha van Cortona. Ze wordt daar beschreven als een hysterisch meisje dat de hele dag babbelt en ’raast zonder goed te weten wat ze zegt’. Zij vindt zichzelf geweldig belangrijk. Zij wil zich intelligent voordoen. Uit verwaandheid gebruikt ze veel woorden waarvan ze de betekenis niet kent. Zij is soms overdreven vriendelijk en onderdanig, bijvoorbeeld in brieven naar de Kinderrechter. Zij toont zich bedrijvig in de klas, maar haar interesse is niet diepgaand. Zij overdrijft de standing van haar familie. Ze liegt, overdrijft, is soms zeer brutaal en wil steeds in het centrum van de belangstelling staan. Ze geraakt dikwijls in onenigheid met haar gezellinnen. Op haar werk verdraagt ze geen kritiek, alhoewel ze geen geduld heeft om het fijn af te werken. In de klas wordt ze voortdurend betrapt op oneerlijkheden. Ze praat groots en wordt niet aanvaard, vooral omdat ze altijd het beste weet. In de huishoudklassen doet ze alsof ze dit nooit heeft moeten doen. Zij is lui en interesseert zich voor niets of niemand.

Alberta schrijft onophoudelijk brieven aan haar Kinderrechter om te zeggen dat ze zal trachten alles goed te maken wat ze verkeerd gedaan heeft en vooral om te vragen na drie maanden vrijgesteld te worden thuis of op dienst ’om iets waard te kunnen zijn in de maatschappij”. Zij tracht de Kinderrechter te vermurwen door over het verdriet van haar moeder te spreken, met toe te geven dat ze koppig is en dat ze begrijpt hoeveel haar ouders van haar houden. Ze zegt dat ze zou moeten gaan werken om de 25.000 frank te verdienen die haar ouders betaald hebben voor haar diefstallen. Maar in een brief van haar vader zegt hij dat ze zich in niets schuldig voelt, niet veranderd is en geen berouw heeft.

Op 31 mei ontvlucht zij uit St.-Margaretha van Cortona. Zij is naar Parijs gelift met een Algerijnse bestuurder die haar onmiddellijk „werk” bezorgd zou hebben in het Algerijnse ontucht-midden. Zij werkte hoofdzakelijk voor één souteneur die haar dan verkocht aan een kroegje voor naaktdansen en ontucht. Zij werd ook gebruikt om verdovende middelen te smokkelen uit Marseille en Lyon. Volgens haar verhaal zou ze een paar keer naar Algers gevlogen zijn en zou ze andere meisjes gedrogeerd hebben om hen naar ontuchthuizen te sturen. Zij werd op een nacht door de politie aangehouden in een taxi met haar souteneur. Na een kort verblijf in een Frans tehuis, werd Alberta overgeplaatst naar het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge.

In een brief aan haar afgevaardigde schrijft zij dat ze zeer aan haar ouders gehecht is en hen zeer graag ziet. Zij klaagt erover dat zij niet schrijven. Ze is ontmoedigd en zegt ’veel veranderd te zijn’, dat ze geprobeerd heeft ’iemand’ te straffen en haar ouders veel verdriet aangedaan heeft, maar dat zij zichzelf nog meer gestraft heeft en absolutie verdiend heeft of hoopt te verdienen door haar best te doen. Zij vraagt haar afgevaardigde met haar ouders contact te zoeken en dat alles zal afhangen van het besluit van haar ouders. Zij vraagt ze vooral te zeggen dat ze na drie maanden op verlof mag naar huis en dat ze makkelijk met Pasen 1964 voor goed thuis zal zijn. Naar haar Kinderrechter schrijft ze dezelfde beleefde brief om uitleg te vragen over haar verder leven en om te zeggen dat het nu met haar ’heel goed’ gaat. Ook hoopt ze dat ze hier geen acht maanden zal moeten blijven zoals in St.-Margaretha van Cortona, Ze vraagt naar nieuws van thuis.

Korte tijd later zegt Alberta aan haar afgevaardigde dat ze slechts verlangt naar Parijs terug te keren, naar haar verloofde Mohammed. Zij zegt ook dat er een macht is buiten en boven haar die beslist over haar daden.


Enkele onderzoeken verricht in het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge

Somatisch en neurologisch onderzoek

Het neurologisch onderzoek bij minderjarige toont geen afwijkingen, terwijl het EEG volledig in de alfa-band zit (10 c/s occipitaal, 8 c/s fronto=temporoaal), zonder enige trage elementen.

Daar de gedragsstoornissen vooral bij de puberteit zijn opgetreden en patiënte nogal zwaarlijvig is (85 kg voor 1m71) wordt ze eerstdaags voor endocrinologisch onderzoek ter observatie gestuurd in een universitaire dienst.

Voor het myopisch astigmatisme werd haar door de ophtalmologische dienst van het St.-Janshospitaal een bril voorgeschreven.

Psychiatrisch onderzoek

Het verbaal contact met de minderjarige verloopt zeer vlot. Ze is verstandelijk vrij begaafd en vertelt overvloedig en tot in de details haar leven, inzonderlijk haar avonturen in Frankrijk. Dit alles schijnbaar zonder enig schaamtegevoel, alhoewel ze inwendig met diepe angst-, onzekerheids- en schuldgevoelens worstelt. Alleen over één homoseksuele en over één andere op zijn minst homo-erotische verhouding weidt ze niet gaarne uit. Haar hele avontuurlijk leven is echter niet hypomaan doorleefd: dit blijkt niet alleen uit de klinische, maar ook en zelfs vooral uit de genetische beschouwingen. Er is weliswaar een orale fixatie, - gulzigheid en verkiezen van snoep boven roken-, maar het egoïsme is té stug, het narcissisme té uitgesproken, sommige fasen van haar avontuurlijk leven zoals ze die opdist zijn té onecht en haar voorkomen is soms té geaffecteerd, - zo beweerde ze bijvoorbeeld bij haar binnenkomen alhier geen Nederlands meer te kennen door haar anderhalve maand verblijf in Frankrijk -, bovendien heeft ze zelf ergens geschreven: „Die maand en half moeten verschrikkelijk geweest zijn, voor U en voor mij”. Heel haar uitwendige gedraging schijnt eerder gegroeid uit rivaliteit tegenover de voorbeeldige zuster en uit oppositionele agressiviteit tegenover de ouders, inzonderheid de moeder. Of andere frustrerende elementen daarbij een rol hebben gespeeld is moeilijk uit te maken: Alberta zegt zelf dat haar moeder haar steeds geaffirmeerd heeft dat die benadelingswaan van harentwege een vooropgezet idee is, maar het is toch niet ondenkbaar dat de moeder, na de dood van haar zoontje, een ander jongetje wensend, haar toch onbewust gefrustreerd heeft. Dit zou meteen de latente masculiene homoseksualiteit verklaren en de sterke agressiviteit tegenover de moeder. Feit is dat de patiënte zich continu als gefrustreerd beleeft, zoals overduidelijk uit haar ’biecht’ blijkt, waar ze tevens haar oppositionele agressiviteit verklaart: „Als ge tegen een klein kind zegt: ’Niet pakken zènne’, dat kind begrijpt en pakt express”.

Klinisch overheersen dus: paranoïde instelling en uitgesproken geldingsdrang en daarbij latente homoseksualiteit. Of de genese zuiver endogeen of mede exogeen is bepaald kan niet worden uitgemaakt. Wel vecht patiënte nog meer zeer sterke onzekerheidsgevoelens. De spanning tussen het Over-Ik en het Ik is echter miniem, zodat de sociale prognose zeer ongunstig is.

Psychologisch onderzoek

Zonder twijfel is dit een uiterst gestoorde persoonlijkheid. Van vroeg reeds vertoonde ze afwijkende en eigenaardige gedragingen, die toonden dat ze zeer weinig of geen gevoel had voor morele of sociale waarden. Het blijken ook persoonlijke reactiewijzen geweest te zijn, vermits ze uit een evenwichtig en rustig familiemidden komt, in welker beide takken geen ernstige karakterstoornissen voorkomen; een vaderlijke oom uitgesloten die enigszins een onevenwichtig karakter heeft. Spijtig genoeg kennen we echter weinig of geen details over de zeer vroege familieverhoudingen en weten we niets over de gevoelens van de moeder na de dood van een drie maanden oud jongetje, noch over haar gevoelens bij de geboorte van Alberta, een meisje, vijftien maanden na de dood van het broertje en enig zoontje.

In ieder geval lijdt het geen twijfel dat de gevoelens van de moeder nopens deze gebeurtenissen zeer belangrijk zijn en het is niet te extravagant te veronderstellen dat ze misschien teleurgesteld was over de geboorte van een meisje. De hypothese dat ze Alberta niet totaal aanvaard heeft, blijft waardevol, vooral daar de symptomen van afwijkend gedrag zeer vroeg uitgebroken zijn en dat in de tests eveneens aanduidingen voorkomen van zeer vroege conflicten.

Uitgesloten is dat haar asociaal gedrag ligt aan intellectuele tekorten. Ze is middelmatig intelligent, zoals de verschillende tests uitwijzen. In februari 1963 behaalde ze op de WAIS een IQ van 103, met een VIQ van 99 en een PIQ van 108. Het VIQ is waarschijnlijk gedrukt door de vele schoolafwezigheden, want ook haar schools ontwikkelingspeil is lager dan normaal. Op de verschillende handvaardigheidstests behaalde ze uitslagen die duiden op goede organisatie, regelmatig en methodisch werk, goed gecontroleerd met soepele en goed aaneengeregen bewegingen.

De aandacht is niet zo goed vermits ze op de Toulouse-Piéton twintig vierkantjes vergeet te doorstrepen. Ze wil te vlug werken. Ook op de Rorschach geeft ze geen enkel superieur G-antwoord en slechts één vaag G-antwoord op plaat IX, terwijl ze ook zeer weinig fijnere details ziet. De wijze waarop ze van de wereld rondom haar bewust wordt is deze van iemand wiens aandacht gericht is op het klaarblijkelijke, het alledaagse, het praktische. Ze heeft noch de superieure intelligentie van de theoretische geest die abstraheert, noch de fijnere oplettendheid van de mens die interesse heeft voor het ongewone, het originele. Deze vinding is dubbel belangrijk omdat ze bewijst dat de pogingen van subject om zich als superieur begaafd te laten doorgaan (door gesprekken over grote vraagstukken en door haar opmerkingen over allerlei vergezochte kleinigheden) in feite onecht zijn aan haar oorspronkelijke en natuurlijke gerichtheid om de dingen te zien. Deze gedwongen, hardnekkige pogingen om boven haar eigen intelligentie uit te reiken, vinden we ten andere bevestigd in haar grote Z-score, wat wil zeggen dat ze werkelijk haar capaciteiten tot het uiterste uitperst. Verder blijken haar denkinhouden sociaal zeer goed aangepast te zijn en conventioneel. Ze is dus wel realiteitsaangepast, alhoewel veel van haar gedragingen juist het tegenovergestelde doen vermoeden, waaruit we besluiten dat ze wel de sociale normen kent, maar ze niet toepast. Het zijn dus wel gedragsstoornissen.

Inderdaad, haar gedrag is uiterst gecompliceerd en uit de tests blijkt dat ook haar ganse persoonlijkheid zeer ingewikkeld is. Het is bijna onmogelijk er een stempel op te zetten, alhoewel de Rorschach-gegevens nogal duidelijk wijzen op een gemengde neurose, waarin zowel obsessief-compulsieve elementen als hysterische in voorkomen. Naast een stroeve innerlijke controle staat een zeer labiel gevoelsleven; naast een overdreven opgeblazen Ik vinden we een grote impulsiviteit en zware neurotische angsten. Wat echter het meest naar voren komt is haar onechte houding tegenover haar eigen affecten: ze keurt intellectueel goed en rationaliseert wat ze affectief niet kan aanvaarden. In feite verdringt ze dus haar natuurlijke tendenzen en poogt zich voor te doen als iemand totaal anders. Breken de natuurlijke tendenzen toch door, dan heeft ze een hele reeks rationele redenen om deze goed te keuren. Vandaar ook dat ze de indruk geeft geen schuldgevoelens te hebben over wat ze misdeed, waar ze in feite wel schuld voelt, maar zoals haar andere affecten verdringt ze dit schuldgevoel.

De Rorschach heeft ons een beeld gegeven van de vele conflicten die woelen in haar. Zeer waarschijnlijk zijn er zeer oude wensen naar mannelijke identificatie en naar mannelijke seksuele gedragingen, maar deze behoeften zijn zo sterk verdrongen dat ze slechts naar voren komen in uitgesproken autistische en verkleedde fantasie-activiteit. Nochtans noteerden we in haar brief: „ Teruggekomen van mijn reis was ik een echte blouson noir, een rasechte teddy-boy. Ik had gestolen gelogen, gechanteerd, enzovoort”. Ook beleeft zij zich als gecastreerd en fysiek niet integer. Ze heeft een minderwaardigheidsgevoel dat berust op deze belevenis van lichamelijke en seksuele minderwaardigheid. Waarschijnlijk is haar sterke angst, vooral voor donkerte, slechts ’n angst voor erkenning van deze behoefte naar mannelijke identificatie. In de Szondi-test vinden we verder dat haar Ik een mannelijk ideaal heeft.

Een andere sterk teruggedrongen behoefte is haar behoefte aan agressiviteit, die in geen enkele klassieke factor te vinden is, maar wel in een onuitgegroeide fantasieactiviteit. Ten andere lijdt het geen twijfel dat ze voor haar delinquente gedragingen onrechtstreeks haar agressiviteit tegenover haar ouders heeft willen uiten, wat ze ten andere in haar brief aan haar ouders ook verklaart. Ook in de Szondi vinden we dat ze werkelijk een echte haat koestert, vooral tegenover de ouder van dezelfde sekse waaraan ze incestueus zeer gebonden is en waar ze zich niet kan van ontdoen.

Deze vroeger verdrongen behoeften poogt ze zowel voor zichzelf als voor de anderen te verduiken onder een uiterlijk deugdzaam voorkomen, speels, onschuldig, kinderachtig. Althans thuis en in de instituten, want aan zichzelf overgelaten breken haar behoeften in haar vrij door en gedraagt ze zich als een losgeslagen en losbandig schepsel, zoals haar activiteiten in de Algerijnse ontuchtmiddens slechts kunnen doen vermoeden.

Het lijdt geen twijfel dat minderjarige in bijzonder zware innerlijke conflictsituaties is en wat de toestand nog verergert is dat ze zo weinig affectief gericht staat op de buitenwereld. Ze mangelt zeker niet aan affectieve mogelijkheden, maar deze zijn bijna totaal geïntroverteerd, op het eigen Ik gericht en ze staan, momenteel althans, zeer weinig open voor sociale contacten. Daarbij zijn haar sociaal-affectieve relaties hoofdzakelijk impulsieve uitbarstingen die niet geïntegreerd zijn.

Het Over-Ik en het sociaal besef schijnen nog uitsluitend buiten haar te liggen: „Wat gaan anderen zeggen? Gaat vader kwaad zijn?”, en alhoewel ze weet wanneer ze misdoet, schijnt ze er niet te willen onder lijden en mist in ieder geval de morele controle.

In principe zou ze moeten geholpen kunnen worden door een diepgaande psychotherapie van lange duur, gesteund door een parallel lopend heropvoedingsprogramma. Nochtans de zwaarte van haar conflicten, alsook de omstandigheden waarin de therapie zal moeten doorgaan, bieden eerder een sombere prognose.

Opvoedkundig verslag

Minderjarige is zeer egoïstisch ingesteld, denkt slechts aan haar eigen persoon en wil zich doen doorgaan als de alwetende. Menend dat ze buitengewoon verstandig is en ook wel misleid in dit opzicht, denkt ze dat ze altijd gelijk heeft, waardoor er voortdurend ruzie ontstaat. Ze kan haar eigen opvattingen niet makkelijk prijsgeven voor betere. In feite heeft ze weinig praktisch verstand en dit helpt haar tegenzin tegen handenarbeid haar er niet op vooruit. Deze vindt ze vernederend en gaat er prat op dat ze nooit heeft moeten schuren of dweilen. Lijk zoveel andere gezegden van haar zal dit wel een leugen zijn, maar in ieder geval weet ze niet veel af van huisarbeid of van eender welke beroepsbezigheid. De opgelegde taken doet ze, maar half en zo vlug mogelijk om gauw weer aan een zittende bezigheid te kunnen beginnen. Ze is slordig en vuil, zowel op haar persoon als op haar kleren en haar kamer.

Heel haar houding is gemaakt en doet sterk onecht aan. Tegenover de andere meisjes gedraagt ze zich bazig en ze zoekt bij voorkeur een opvoedster op, die ze meer haar genre vindt. Daarom wordt ze door de andere minderjarigen niet aanvaard en ze is antipathiek. Ze zoekt zich te wreken door de anderen op te stoken, zich sluwer te tonen dan eender wie, te liegen dat het kraakt en sterke verhalen te vertellen, ofwel door de meest geraffineerde op te zoeken en te pogen groepjes te vormen tegen het gezag in. Slaagt ze er wel in een het hoofd op hol te jagen, dan gaat het niet met een groep omdat men haar niet mag. Ze zou ook niet laten om andere meisjes seksueel op te hitsen of erotische bindingen te zoeken. Ze is ten andere sterk op het seksuele gericht.

Ze eet zeer graag en gewoonlijk zeer veel, tenzij haar een of andere opmerking wordt gemaakt, dan weigert ze plots alle eten. Aan tafel houdt ze ook weinig rekening met de anderen en bedient zich zo vlug mogelijk een tweede of derde maal. Hier rookt ze niet veel, maar ze snoept graag. 

Minderjarige vertrouwt zich moeilijk aan een bepaald persoon. Verkiest ze iemand, dan is het louter uit eigenbelang en om voordelen te krijgen. Ze houdt nu regelmatig correspondentie met thuis, waarin ze haar gedrag hier verbloemt, zich voordoet als het berouwvolle kind dat verlangt om gauw bij vader en moeder te zijn. Ze heeft er een handje van weg om in haar brieven haar ouders zand in de ogen te strooien. Ze zijn er al gedeeltelijk ingelopen ook.

Besluiten

  1. Er blijken geen opvallende erfelijke elementen te bestaan
  2. Gezondheid is goed en neurologisch zijn er geen afwijkingen. De zwaarlijvigheid zal endocrinologisch nagegaan worden
  3. Haar delinquente gedragingen zijn uitgesproken gedragsstoornissen, steunend op diepe karakterstoornissen en zeer oude persoonlijkheidsconflicten
  4. Ze is middelmatig intelligent, met slechte aandacht en gebrekkige opmerkingsgeest
  5. Zeer vitaal en erotisch onderdrukt ze, in sociaal-eisende omgevingen, haar erotische en seksuele behoeften, maar laat ze hun vrije, losbandige loop zodra ze op haar eigen aangewezen is
  6. Zonder persoonlijk geweten heeft ze toch voldoende kennis van de sociale normen en eisen en kan zich desnoods voegen naar uiterlijke ethische normen
  7. Haar sociale zin strekt zich uit net zo ver als haar egoïstische interessen dit nodig achten
  8. Werkelijke sublimatie schijnt nog niet gebeurd en ze is zéér weinig of helemaal niet geïnteresseerd in een beroep. Ze werkt slechts met tegenzin en heeft blijkbaar nog nooit gedacht op een of ander uit te oefenen en aan te leren beroep.

Voorstellen

Op somatisch gebied stellen we een observatie voor in een universitaire dienst. Dit zal gebeuren op 20 november.

Vermits minderjarige slechts bekwaam is zich voorlopig sociaal en moreel aanvaardbaar te gedragen in een gesloten en eisende omgeving en wij menen dat momenteel slechts het Rijksopvoedingsgesticht voldoende voorwaarden daartoe biedt, stellen we voor minderjarige voor onvoorzienbare tijd in het Rijksopvoedingsgesticht te behouden.

Gezien anderzijds de delinquente gedragingen louter blijken te steunen op karakter- en persoonlijkheidsstoornissen, menen we dat een poging gedaan moet worden om minderjarige door psychotherapie tot ontbolstering en inzicht te doen komen van de diepe conflicten in haar en stellen daarom een psychotherapie voor.

Wat betreft haar professionele toekomst menen we dat ze een beroep moet aanleren dat bindend is, waar ze voor geen keuze komt te staan en waar nauwe, strenge regels aan vast liggen. Daarom stellen we, in het kader van de mogelijkheden van de inrichting, de cursus voor van snelstikken, zodra deze tijdelijk opgeheven cursus terug gestart is.


Ondertekend door de geneesheer-psychiater, de psychologe en de directrice.


Mijn commentaar

Het vreemde in dit verhaal is de zwart-wit tegenstelling tussen de sociale omgeving en Alberta. De ouders zijn hardwerkende, voorbeeldige mensen. De oudere zus wordt als een soort engel beschreven, die ondanks het ondankbare en pesterige gedrag van Alberta, haar jongere zus cadeautjes geeft en heel aardig blijft. Die zwart-wit tegenstelling blijft doorsudderen in alle rapporten: aan Alberta worden alleen negatieve eigenschappen toegekend. Zelfs als er iets positiefs zou zijn, dan wordt het op een negatieve manier verklaard. Als zij bijvoorbeeld deugdzaam en speels is, dan is dat bedoeld om ’vroeger verdrongen behoeften te verdringen’. En als ze iemand in vertrouwen neemt, dan is het uit eigenbelang.

Een tweede opvallend kenmerk is dat alle problemen worden opgehangen aan één hypothese: de moeder wilde een zoontje en geen tweede dochter; daaruit uitstond een zeer gespannen moeder-dochter relatie en een lesbische persoonlijkheid bij Alberta.

Aan het voorstel van de psychologe om Alberta een psychotherapie te bieden, moet niet veel waarde worden gehecht. Daar komt binnen het Rijksopvoedingsgesticht niets van terecht, omdat de repressieve en negatieve sfeer in de gehele instelling ten aanzien van deze meisjes, geen basis biedt voor gunstige en duurzame persoonlijkheidsveranderingen (een gegeven dat ik in 1975 in mijn proefschrift heb aangetoond). Deze psychologe was nog in dienst toen ik van die instelling in 1973 directeur werd. Over haar hoorde ik het verhaal dat toen zij werd aangesteld, de opvoedsters grote verwachtingen hadden over de inbreng van de psychologe. Toen in een leefgroep een kleine opstand uitbrak, werd ze erbij geroepen om het conflict op ’een psychologische’ manier op te lossen. Een meisje sloeg haar echter met een stoel op haar hoofd. Sedertdien kwam ze nooit meer in de leefgroepen en liet de minderjarigen, onder begeleiding, individueel naar haar kamer brengen.

De diagnostische bevindingen van de psychologe zijn moeilijk te controleren. Zij hanteert psychoanalytische begrippen die best interessant kunnen zijn, maar het ontbreekt aan duidelijke richtlijnen voor de therapie of voor de orthopedagogische aanpak in de leefgroep. De hypothese dat het asociale gedrag van Alberta niet het gevolg is van intellectuele tekorten is aannemelijk.

Verder wordt de nadruk gelegd op neurotische kenmerken waarin obsessief-compulsieve  en hysterische elementen voorkomen, ook een grote impulsiviteit en zware neurotische angsten. Volgens de psychologe is de onechte houding het meest opvallend: Alberta rationaliseert wat ze affectief niet kan aanvaarden en verdringt daarom haar natuurlijke tendenzen. Breken die tendenzen toch door, dan rationaliseert ze dit verder. Op die manier kan alle gedrag verklaard worden en komen we in een vicieuze cirkel terecht. De psychologe komt tot de conclusie dat de prognose somber is.

Een minderwaardigheidsgevoel en sterke angstgevoelens verklaren wellicht haar agressieve gedrag. Hier zouden we een aanknopingspunt voor de behandeling kunnen vinden. In de tijdsomstandigheden van toen wordt een ondersteunende therapeutische relatie echter belemmerd door de obsessie van de betrokken volwassenen om erotische uitingen de kop in te drukken. Er is verder geen aandacht voor de invloed van de residentiële omgeving, waarin ernstig gedragsgestoorde meisjes 24 uur per dag samen in een leefgroep zitten opgesloten, op het gedrag van Alberta zelf.

Toen ik tien jaar later zelf directeur werd van dit instituut, werd een meisje opgenomen dat sterk leek op deze casus. Zij was 17 1/2 jaar oud en zou dus over zes maanden volwassen zijn en volkomen vrij. Dit meisje had een jaar lang gewerkt als escortgirl in Cannes. Zij was buitengewoon knap en intelligent. Wat seksualiteit betreft was ze volslagen immoreel. Dit was een meid die wist wat zij wilde. Ik maakte met haar de afspraak dat zij gedurende die zes maanden niet zou weglopen. Zij kreeg de kans elke avond in een restaurant te gaan werken om wat bij te verdienen. In de instelling zelf zou zij onder andere een cursus Engels en economie kunnen volgen, omdat er toevallig opvoedsters waren die deze opleidingen hadden gevolgd. De gedachte hierachter was dat zij die kennis goed zou kunnen gebruiken, wat zij later ook van plan was.

Dit meisje hield zich aan de afspraak. Jaren later had de restauranthouder het nog altijd over die zes maanden dat zij bij hem had gewerkt. Binnen een week verdubbelde het aantal cliënten. Zij maakte de mannen gek. Een taxichauffeur die tot over zijn oren verliefd op haar was, kwam haar elke dag gratis ophalen en bracht haar op tijd terug.

Op haar verjaardag vertrok zij welgemutst en met een klein kapitaaltje linea recta naar Cannes.

Kritiek op mijn aanpak is zeker mogelijk. De helft van de meisjes in de instelling had al gewerkt als tippelaarster of in een dubieuze seksclub voor hoeren van het laagste allooi (raamprostitutie). De meesten waren zwak begaafd en kwamen uit zeer marginale milieus. Als directeur schafte ik het productieatelier af. In dat atelier moesten ze de hele dag door afstompend werk doen, zoals wasknijpers maken of enveloppen dichtmaken. Ik richtte een „activiteitencentrum” op waar de meisjes les kregen in Engels, Frans, economie, rekenen, moedertaal, fotografie en ook schoonheidsverzorging. Dit laatste had een enorm effect. Deze meisjes waren gewend zich met veel make up op te dirken. Buiten de instellingen waren ze daardoor direct herkenbaar als jonge hoeren. De manier van zich opmaken werd verklaard vanuit hun seksueel pervers gedrag. Toen zij echter van een schoonheidsspecialiste leerden hoe zich mooi op te maken, volgden zij onmiddellijk die adviezen. Toen ze dan naar buiten gingen, vielen ze niet meer op in negatieve zin en werden ze minder lastig gevallen door vieze mannen.

Met de cursus Engels en Frans hoopte ik dat zij in een wat beter milieu werk zouden kunnen vinden als ze eenmaal volwassen zouden zijn. De belangrijkste verandering dat hiermee in het Rijksopvoedingsgesticht werd bereikt is dat het repressieve, vernederende klimaat veranderde in een positief stimulerende aanpak (meer hierover in mijn boek uit 1980: ’Meisjes zonder kansen’)


Introductie

Homepage

© Juliaan Van Acker 2017