http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Christine

(Verslag opgemaakt door de psychiater, de psychologe en de directrice van het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge op 15 november 1958, Christine was toen 16 jaar 7 maanden) 

Medisch-psychologisch verslag betreffende V. Christine, geboren op 4 april 1941, gedomicilieerd te Tongeren en afhangende van de jurisdictie van de Heer Kinderrechter te Tongeren.

I. Anamnese

A. Familiale antecedenten

Christine is het laatste der vijf kinderen gesproten uit het huwelijk van V. Charles met W. Martha.

De vader: geboren in 1908, is altijd karakterieel gestoord geweest; bovendien deed hij zenuwcrises. Reeds op zestienjarige leeftijd kwam hij met de politie en rechtbank in aanraking wegen diefstal. In 1952 had hij reeds 26 gerechtelijke veroordelingen opgelopen. In 1930 huwde hij de moeder van minderjarige met wie de verstandhouding aanvankelijk goed was. Bij zijn demobilisatie na de 18-daagse veldtocht in 1940 vond hij zijn echtgenote terug in een slecht befaamde cafe. Hij ging dan voor de bezetter werken, eerst in Frankrijk, dan in Duitsland. Hij werd lid van de ’Organisation Todt’(*), zodat hij bij de bevrijding tot 15 jaar hechtenis veroordeeld werd. Sinds 1948 huist hij te Mol.

(*) Organisation Todt: bouwmaatschappij in Nazi-Duitsland 1938-1945)

De moeder: geboren in 1909, is een zeer lichtzinnige vrouw. Uitzonderlijk slordig, vuil en meestal uithuizig. Zij verwaarloosde immer haar gezin. Bovendien hield ze zich op in slecht befaamde herbergen en had schuldige omgang met andere mannen. Kortom, ze was een gans ontrouwe echtgenote. Van haar omgang met een Belgische soldaat, die overigens sneuvelde, heeft ze een kind. Wat er van dit kind geworden is, wordt in de sociale enquête niet vermeld. Later werd zij de bijzit van ene H.K. De jongste vier kinderen uit haar vorig huwelijk verwaarloosde zij zozeer dat deze geplaatst werden door de Commissie van Openbare Onderstand. Toen deze kinderen haar bij het echtscheidingsproces in 1951 werden toegestaan, vroeg zij haar kinderen terug, wat haar geweigerd werd.

Christine heeft twee zussen en twee broers:

Lydie: de oudste, geboren in 1933. Een debiele die destijds in St.-Margaretha van Cortona werd geplaatst wegens zedenfeiten. Zij kreeg ook een meningitis met een partiële verlamming als sequel, welke overigens genas. Daarvoor werd zij een tijdlang overgeplaatst in het gesticht der Zusters van Liefde te Lovendegem.

Simonne: geboren in 1934. Is thans gehuwd.

Lowie: geboren in 1935. Hij zou een geestesdebiel zijn. Hij is opvliegend van karakter.

Klaas: geboren in 1937. Hij heeft destijds verbleven in het St.-Vincentiusgesticht te Zichem.

Bovendien heeft Christine twee halfbroers en een halfzuster gesproten uit de verbintenis van haar moeder met haar bijzit. De twee oudsten waren betrokken in een kinderzedenzaak.

B. Persoonlijke anamnese

Ziekten en operaties: Niets bijzonders te vermelden, tenzij Christine af en toe aan wat buikpijn en migrainoïde cephalae lijdt.

Psychologische en verstandsontwikkeling: Over de eerste psychomotorische ontwikkeling is niets geweten. Bij de Oseretzky-test, verricht in 1952, had de minderjarige een motorische leeftijd van 9 jaar 4 maanden, zegge een motorisch I.Q. van 86.

Bij de verstandstesten bereikte de minderjarige, insgelijks in 1952, uitslagen die naar de grens der debiliteit gingen, namelijk een I.Q. van 71 bij de Grace Arthur en een I.Q. van 73 bij de Terman-Merrill proef. De psychologen van St.-Margaretha van Cortona maakten echter volgend voorbehoud: „Toch stelt zich hier de vraag of we niet staan voor pseudo-debiliteit, gegroeid uit ondervoeding en verwaarlozing die zou kunnen verdwijnen en bij gunstige maatschappelijke heraanpassing minstens opgedreven worden tot een I.Q. van 86”.

Affectief leven

Levensperiode vóór de plaatsing: over de eerste levensjaren van de minderjarige is nagenoeg niets geweten. Wel weten wij dat ze later school liep in het atheneum te K. en dat ze onbewaakt aan haar lot werd overgelaten door de moeder en dezes bijzit.

Reden der plaatsing: Toen in 1951 de moeder twee zonen van haar zuster in haar gezin opnam, kwam het alras tot een erotisch spel en tot volledige geslachtsbetrekkingen tussen Jan, de oudste van die twee zonen, toen 17 jaar oud, en Christine die toen 10 jaar oud was. Binst de dag moest Jan aanvankelijk mee vodden en oud ijzer gaan opkopen. Later werd hij metaalarbeider. Binst zijn vrije uren gingen de kinderen echter „verstoppertje spelen op het bed van Jan”.

Aldus werd de minderjarige op 4 januari 1951 door de Kinderrechter van Tongeren geplaatst in de inrichting St.-Margaretha van Cortona, afdeling schoolkliniek.

Levensperiode tijdens de plaatsing: Uit het rapport van St.-Margaretha van Cortona van 7 april 1952 citeren wij: „Christine blijft een zeer levendig kind, dat in het begin van haar verblijf in de instelling bangelijk, schuchter weggedoken de kat uit de boom kijkend, doch weldra zichzelf werd in onstuimige, onberedeneerde impulsiviteit.

Waarschijnlijk wortelt haar aanvankelijke terughoudendheid in schrik voor strenge sancties, die ze blijkbaar thuis van de tweede vader ondervond. Ze kwam uit haar schelp toen ze ontdekte dat er weinig te vrezen viel, zodat ze tegenwoordig rumoerig en gewelddadig optreedt, alhoewel aanstonds schuw in de nabijheid van de autoriteit. De minderjarige is in aanleg zeer vitaal, sterk reactief, met een zeer duidelijke neiging om zich van hysterische mechanismen te bedienen. Ze tracht in hoge mate zichzelf als centrum te stellen en langs die weg het leven te veroveren”.

Karakterieel blijkt Christine niet veel gebeterd te zijn tijdens haar vier jaar lange verblijf aldaar, vermits het rapport van 15 juni 1956 vermeldt: „Christine blijft hangen aan zedelijk slechte praatjes. Ze babbelt over mannen, denkbeeldige en andere. Ze loopt liever vuil dan netjes en leeft werkelijk in de wanorde. Ze blijft dikwijls zonder iets te doen, neemt een spottende houding aan wanneer haar een opmerking gemaakt wordt. Ze is koppig van aard en kan gemeen en onbeleefd zijn in haar uitdrukkingen. Ze is soms lui en wandelt meer rond dan werken”.

Omstreeks de zomervakantie in 1956 werd een plaatsing van Christine overwogen, wat een zeer groot probleem daarstelde gezien de sterk seksuele instelling van de minderjarige. Als minste kwaad werd een proef thuis overwogen. Alhoewel dit voorstel van de minderjarige zelf uitging, blijkt het achteraf voor haar een grote ontgoocheling te zijn geweest. Zij werd er ontvangen als een vreemdeling voor wie plaats gemaakt moest worden. Overigens bleek uit een verdere enquête de totale amoraliteit van het gezin. Over de moeder wordt gezegd dat zij een heel amoreel wezen is, en daarbij een geesteszwakte. Zolang Christine geen kindje verwacht is het goed voor moeder. Ook de relaties van de driftige Christine en haar lompe broer Arthur zouden alles behalve moreel zijn geweest.

Op 5 mei 1957 werd de minderjarige dan geplaatst in de home Wingerdbloei te Antwerpen. Na twee ontvluchtingen aldaar werd ze op 3 juli 1957 naar het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge overgebracht.

In haar goede buien en als men haar niet van te dichtbij volgt, is Christine een niet onsympathieke, vriendelijke debiele. Maar wie dagelijks met Christine omgaat, kent haar als een bekrompen, achterlijk wezen, leugenachtig, slordig en vuil, de ene keer onverschillig tegenover opvoedkundig ingrijpen, de andere keer echter ruw, onbeleefd, koppig, kijvend en vloekend, slechts zeer zelden met nuttig gevolg positief beïnvloedbaar.

Al worden dagelijks dezelfde hygiënische eisen gesteld, Christine volgt ze niet op. Al krijgt zij herhaaldelijk dezelfde opmerkingen te horen over slonzig verrichte taken, Christine werkt altijd even oppervlakkig. Al probeert men op vele manieren een aanvaardbare moraliteit in de minderjarige aan te kweken, Christine luistert naar geen reden, interesseert zich, - nu jongens om haar heen ontbreken-, op ongezonde erotische wijze aan de medegezellinnen en veroorlooft zich met hen bepaalde oneerbare handelingen. De vroeger uitbundige ongeremdheden spitsen zich toe in seksuele agressie.


II. Diverse onderzoekingen

Psychiatrisch onderzoek: Het meisje doet zich slordig en loom voor. Veel is uit haar niet te krijgen. Ze schijnt biseksueel aangelegd te zijn.

Somatisch, inclusief neurologisch onderzoek: cardiovasculair en pulmonaal is niets te vermelden. Wat het digestief systeem betreft: patiënte lijdt aan een soort migrainoïd syndroom. Urugenitaal: de minderjarige werd voor een gonorroe (*) behandeld.

Het volledig klinisch onderzoek en het neurologisch onderzoek omvattende de studie van de hoofdzenuwen,van de mobiliteit en tonus, van de onderscheiden gevoelskwaliteiten, van de coördinatie, van de spraak, van de gang en het evenwicht, van de pees- en huidreflexen, van de vasomotoren, van de sphincters en het tropisme is volledig normaal. De oogfungus vertoont geen afwijkingen.

(*) gonorroe: een seksueel overdraagbare aandoening

Psychologisch onderzoek: de verstandelijke waarde van Christine is zeer gering, zowel voor wat algemene ontwikkeling als voor de praktische kundigheden betreft. Sommige testuitslagen wijzen duidelijk in de richting van verstandsdebiliteit.

Op karakterieel gebied uit zich het tekort aan geestesontwikkeling door egocentrisme, door gemis aan aanpassing aan de werkelijkheid, Het subject is passief, met beperkte bewegings- en vrijheidsdrang. Het ontbreekt Christine aan innerlijk evenwicht, zelfzekerheid en durf, levendigheid en activiteit. Zij is hypochondrisch bezorgd en blijft gefixeerd in een familiaal conflict.

Christine verdringt haar gevoelens door dwangmechanismen. Ze leeft in een wereld van fantasie, van onwerkelijkheid om haar angst voor het reële leven te verdoezelen.

Homoseksuele tendensen leven latent of werkzaam in haar.

Agressiviteit en activiteit bleven op een kinderlijk plan staan. Christine is ten prooi aan een hysteriforme, bijna panische beklemming, veroorzaakt door opgestuwde affecten. Deze beklemming ontlaadt zich dan plots in hysterische of epileptische explosies.

In het algemeen gezien zijn de gedragingen van Christine normaal te noemen, maar met nogal duidelijke aanleg voor familiale dualistische bindingen, sadisme, dwangmechanismen, homoseksualiteit. Mogelijke pathologische vormen: neurose, angst-beladen paranoïde psychose.


III. Epicrisis en conclusies

Psychiatrisch aspect: De minderjarige is in haar ganse persoonlijkheid gestoord, zowel wat het intelligentie- en psychometrische aspect betreft, als het karakterieel, drift- en temperamentsaspect, dit op grond zowel van verwaarlozing als van erfelijkheid én langs vaders- én langs moederszijde.

Pedagogisch aspect: Christine is een achterlijk meisje met geringe opvoedbaarheid. Van de vroegere, in St.-Margaretha van Cortona genoteerde actieve aanleg blijft uiterlijk weinig merkbaar in dit lui en slordig meisje. Alle vitaliteit schijnt zich te concentreren en te ontladen langs seksuele ongerijmdheid, die bij pozen de minderjarige op hol brengt met wild opstuwende kracht. 

Een stelselmatig indringen van elementaire hygiënische en sociale gewoonten blijft noodzakelijk, al kan men weinig op goedwillende medewerking van Christine rekenen.

Vóór haar opname in het Rijksopvoedingsgesticht was Christine tewerk gesteld als mangelstrijkster. De minderjarige wenst opnieuw als strijkster te arbeiden. Gezien het mangelstrijken wel enige nauwkeurig bepaalde, doch makkelijk aan te leren werkmechanismen inhoudt waartoe Christine bekwaam is, mag in die zin een beroepsoplossing gezocht worden.

Plaatsing in een Tehuis met Beperkte Vrijheid kan opnieuw beproefd worden.

Ondergetekend door de psychiater, de psycholoog en de directrice.


Mijn commentaar

Meisjes zoals Christine roepen ons medelijden op. Ze komt ter wereld in een omgeving waar liefde en zorgzaamheid ontbreekt. Haar vader is een gedragsgestoorde crimineel. Haar moeder is uiterst lichtzinnig, is weinig thuis en brengt haar dagen door in slecht befaamde kroegen. Het huis is zeer vuil. De vijf kinderen worden ernstig verwaarloosd. Door haar halfbroer wordt Christine seksueel misbruikt. Ze heeft een geslachtsziekte opgelopen.

Christine verblijft vier jaar in een tehuis. Als zij terug thuis wordt geplaatst, wordt ze ontvangen als een vreemdeling. Dit is de zoveelste teleurstelling voor haar. De vraag is of de ouders op haar terugkeer werden voorbereid en of het gezin verdere begeleiding kreeg.

Het is evident dat deze omstandigheden een desastreus effect hebben op de persoonlijkheidsontwikkeling. Dat zien we bijvoorbeeld op intellectueel gebied. Passende prikkels in een veilige omgeving zijn hier cruciaal. Als adolescent wordt Christine getest en ze krijgt het label van „pseudo-debiliteit”. Het is bekend uit onderzoek dat bij verwaarloosde kinderen die goed worden opgevangen in een tehuis, het I.Q. na één jaar gemiddeld met 10 punten stijgt. In sommige gevallen met 40 punten. Dit betekent dat als Christine nieuwe kansen krijgt, ze in plaats van debiel, goed begaafd kan blijken te zijn.

We moeten daarom heel voorzichtig zijn met de interpretatie van tests bij deze kinderen. Aan mijn studenten zei ik destijds dat tests verboden zouden moeten worden. Diagnostiek is te vaak een destructieve diagnostiek door de te grote nadruk die wordt gelegd op alles wat buiten de norm valt en te weinig aandacht voor de talenten die elk kind heeft.

Christine heeft een zeer lage zelfwaardering en een zeer laag zelfbeeld. Hierdoor ontbreekt de belangrijkste stimulans om zich te ontwikkelen. De labels die ze van de gedragswetenschappers krijgt, maken het nog erger: een bekrompen en achterlijk wezen, hysterisch, totale amoraliteit,… Ze zou ook biseksueel zijn. Dit laatste is echter een vrij normaal verschijnsel als meisjes maandenlang in een gesloten omgeving verblijven zonder jongens. Bovendien, indien ze echt biseksueel zou zijn, moeten we dat respecteren en het meisje de kans geven zich als biseksueel op een veilige manier te ontwikkelen.

Al deze labels weerspiegelen de geest waarin deze meisjes werden aangepakt. De naargeestige sfeer in die inrichting met isoleercellen, dwangbuizen en koude douches om te opstandige meisjes ’af te koelen’, zal niet bijgedragen hebben aan het zelfbeeld van dit meisje. Toen ik in die inrichting directeur werd, bestonden die cellen nog, alsook een paar aparte cellen voor koude douches. Deze douches werden al lang niet meer gebruikt. Dwangbuizen lagen nog in het magazijn. Het was een hele opgave om het pedagogisch regime te veranderen in een, wat ik noemde, „Positief Stimulerende Aanpak”. Mijn ervaringen staan beschreven in mijn eerste boek uit 1980: „Meisjes zonder kansen: Opvoeding van meisjes in ernstige probleemsituaties. Rotterdam: Lemniscaat”.


Introductie

Homepage

© Juliaan Van Acker 2017