http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Huguette

(Verslag opgemaakt in 1955. Huguette was toen 16 jaar 9 maanden)

Ondergetekende, R. V., doctor in de geneeskunde, neuropsychiater, verklaart persoonlijk gezien en onderzocht te hebben op 3, 5, 8, 10, 12, 14, 16 en 17 februari 1955 de genaamde Huguette M., geboren te Antwerpen op 6 maart 1936 en geplaatst door de kinderrechter van Antwerpen op datum 17 november 1952.


I. Anamnese

A. Familiale anamnese: Huguette is de oudste van zes kinderen gesproten uit het huwelijk van M. Antoon en V. Rosa. 

De vader, 43 jaar oud, heeft reeds verschillende plaatsen bekleed. Thans is hij werkzaam in een metaalbedrijf. Volgens de sociale enquête zou hij een grote eigendunk hebben en er verkeerde opvoedingsprincipes op na houden, bestaande voornamelijk uit hardhandig optreden. Hij blijkt ten andere erfelijk belast te zijn en hij is een natuurlijk kind. Zijn moeder is overleden in het St.-Antoniusgesticht te Brecht en een tante verblijft nog in voormelde inrichting. 

De moeder, 42 jaar oud, zou eerder zwak van karakter zijn. Zij houdt thans een herberg open.

Van de drie broers die Huguette gehad heeft, is er een overleden aan stuipen op de leeftijd van vier maanden, wijl van de twee zusters één een achterlijk voorkomen zou hebben.

B. Persoonlijke anamnese:

1. Ziekten en heelkundige bewerkingen: Huguette zou tot zeven jaar wat achter geweest zijn in ontwikkeling, dit waarschijnlijk in verband met de voortijdige geboorte. Zij zou derhalve ook drie maanden schoolkolonie gelopen hebben. Over ziekten wordt niets speciaal vermeld.

2. Eerste psyche-biologische en verstandsontwikkeling: De geboorte zou voortijdig geweest zijn, na acht maanden. Bij de geboorte woog Huguette amper twee kilogram. De eerste psychomotorische ontwikkeling schijnt wat ten achter geweest te zijn; concrete gegevens ontbreken echter. Uit het onderzoek blijkt echter dat het meisje linkshandig is.

Wat de schoolprestaties betreft quoteert de sociale enquête normaal, er aan toevoegend dat Huguette na het vijfde jaar gedubbeld te hebben, merkelijk vooruit kwam.

3. Gevoelsleven

A. Levensperiode vóór de eerste plaatsing: uit de sociale enquête blijkt dat Huguette, reeds wanneer ze nog schoolgaande was, eensdeels onbetrouwbaar was, - zij nam onder andere kleine voorwerpen van de kinderen mee -, anderdeels reeds vroeg rijp was en er perverse gesprekken op na hield. Verder blijkt dat zij overvloedig rookte, de cinema bezocht, - ook buiten weten van de ouders om -, en detective romans verslond. De sociale assistente geeft het meisje zelfs het etiket ’mythomanie’. Onder dit etiket moet wellicht geplaatst worden de vele en later te citeren fantastische verhalen. Op een avond dat zij met een jongen naar een café in Antwerpen trok, zag zij daar haar vader met in zijn armen een meisje dat het polsuurwerk van haar moeder droeg. Zij vroeg in aanwezigheid van de verstomde gasten, het uurwerk van haar moeder terug. ’s Avonds durfde de vader met geen woord te reppen over het geval.

Wat nu de feiten betreft die geleid hebben tot de eerste plaatsing is het niet mijn bedoeling hier in extenso de objectieve versie weer te geven. Ik beperk mij tot de versie van de minderjarige.

Nadat zij een ganse dag tevergeefs op zoek was geweest naar werk, is zij naar Lier afgezakt om haar verloofde te zien. Uitgenodigd evenwel door enkele straatwerkers is zij enkele glazen gaan drinken in een café van waaruit zij haar verloofde zag passeren zonder dat deze evenwel omkeek. Zij is dan op een bank in het park gaan zitten, en als zij wakker werd, lag zij in het gras en zag twee gendarmes die haar naar het commissariaat voerden. Daar legde zij een valse verklaring af, waarin zij ondermeer voorloog dat zij samenwoonde met de zus van haar verloofde. Zij negeert echter thans de vroegere bekentenissen van geslachtsbetrekkingen. De herberghoudster, die haar naar huis zou brengen, leidde zij echter om de tuin en zo ontsnapte zij aan de ouderlijke woning. Met auto-stop(*) trok zij alsdan weer op naar Antwerpen. De ganse dag zocht zij werk, vond er echter weer geen. ’s Avonds ging zij slapen in een huisje aan een stenen brug. Daar plukte zij ’s anderendaags ’s ochtends bloemen en ging die in de stad verkopen. Tegen de avond, toen zij in de stad rondslenterde, werd zij door een portier in een dancing, een zekere ’Kursaal’, binnengeroepen, waar niet anders dan Spanjaarden zaten, danste daar voor allen op het podium en kon bij een razzia van de politie ontsnappen. Zij trok dan een ’Jeannettenkot’ (**) binnen, waar de moeder werkt van een meisje dat zij in Lokeren heeft leren kennen. Op het toilet vindt zij een vrouw die erg buikpijn heeft en die zij op eigen kosten per taxi naar dezer woning vervoert. Het is door deze dame dat zij zich ’s anderendaags op de werkbeurs aanbood, waar zij werk vond bij meneer en mevrouw Frisch. Daar zij de heer aansprak in het joods en zich er op roemde dat haar moeder van joodse afkomst was, kreeg zij onmiddellijk de betrekking en trok naar Knokke bij mevrouw Frisch. Daar liep zij echter een vergiftiging op aan het been door in zee te baden, waardoor zij naar Antwerpen naar het hospitaal gebracht werd. Daar vond de politie haar.

(*) met auto-stop: al liftend

(**) Jeannettenkot: homo-bar

B. Levensperiode tijdens de eerste plaatsing: Op 6 november 1952 werd minderjarige toevertrouwd aan de Inrichting O. L. Vrouw van Barmhartigheid te Gent. Over het verblijf aldaar schrijft de sociale assistente dat Huguette de andere meisjes ophitst, ze op laffe en onbarmhartige wijze slaat en nachtelijke panieken verwekt. Het meisje zelf geeft toe daar veel gevochten te hebben. Bovendien vertelde zij mij zich te hebben willen ophangen met een paar geknoopte handdoeken toen zij een brief ontving van haar vader waarin deze haar uitschold voor ’hoer’.

Op 23 november 1952 werd zij getransfereerd naar het het St.-Benedictusgesticht te Lokeren. Het verslag van deze inrichting zegt dat, wat de intelligentie betreft, het meisje normaal begaafd is. Zij heeft een I.Q. van 112 met de Terman-Merrill schaal. Terwijl wat het karakter en het gedrag betreft, zij van overdreven opgeruimde stemming in dromerij en gedruktheid valt. Eens geprikkeld kan zij gevaarlijk en grammoedig worden. Ontmoedigd, neigt zij naar wanhoop tot zelfmoordpoging toe. Doorgaans, zo gaat het rapport verder, zweefde ze met haar ongebreidelde fantasie los van vaste grond en droomt van een kleurrijke toekomst die echter op wankele en onzekere basis berust. Mij vertelde de minderjarige sinds die datum veel hoofdpijn te hebben. Eenmaal heeft zij zich de aders willen oversnijden. Het is tijdens haar verblijf aldaar dat de plaatsing van de minderjarige naar het rijksopvoedingsgesticht bevestigd werd.

C. Levensperiode tussen de twee plaatsingen: Vanuit Lokeren werd Huguette met drie maand proefverlof ontslagen, welk verlof echter steeds verlengd zou worden. Na drie weken thuis te hebben doorgebracht, werd zij door haar ouders in dienst geplaatst bij de familie A. Huguette was er nogal graag, temeer daar de meesteres van haar hield en dat zij haar Suzanne mocht noemen. Eens is er een kleine scène geweest omdat mevrouw een brief vond waarin een vriendin sprak van samenwonen. De meesteres was hierdoor zeer jaloers! Het is ten dien tijde dat Huguette eens verkleed als een jongen, in een café van homoseksuelen geweest zou zijn. Het meisje waarmee zij uitging, zou nooit gemerkt hebben dat zij geen jongen was. Ook ten dien tijde zou zij een jongen leren kennen, - hetgeen de kinderrechter, gezien men haar van lesbische neigingen verdacht, zou goedgekeurd hebben! -. Deze jongen, na haar op een dag verweten te hebben voor de vrouwen te zijn, verkrachtte haar. Nadien had zij nog eenmaal betrekkingen met die jongen. Zij zou haar moeder zelfs om raad gevraagd hebben. Tenslotte is zij uit haar dienst weggegaan omdat zij geen opslag kreeg. Daar zij niet uitbetaald werd tot de vijftiende heeft zij zich willen verhangen. Men kon haar echter tijdig verlossen.

Zij zou vervolgens drie weken zijn gaan werken bij een jood. Daar zij de kinderrechter niet verwittigd had, kreeg zij daar de bons omdat twee gendarmes in tenue daar om haar kwamen informeren.

Daarna is ze gaan dienen in een joods restaurant. Zij won daar tot 120 frank per dag. Zij kocht zich nieuwe klederen met het drinkgeld. Zij kreeg echter moeilijkheden met haar vader omtrent het afgeven van het geld en daar zij daardoor geen nieuw ’serveuse-voorschootje’ kon aanschaffen, kreeg zij haar opzeg.

Over een volgende dienst bij de familie W., waar zij zich zou schuldig gemaakt hebben aan een diefstal van 600 frank ten nadele van de werkvrouw en van andere kleine voorwerpen, heb ik de minderjarige, gezien de herhaalde schemertoestanden, niet kunnen ondervragen.

D. Levensperiode tijdens de tweede plaatsing: Of het de diefstal is, dan wel de zelfmoordpoging is die oorzaak is van de herplaatsing van Huguette, wordt in de sociale enquête niet vermeld. In ieder geval, op 2 oktober 1954 werd de minderjarige in St.-Margaretha van Cortona te Antwerpen ondergebracht. De sociale enquête vermeldt laconiek ’zenuwcrisis’. wijl een verslagblad van die inrichting ontbreekt. In een persoonlijke brief die de psychiater aldaar tot mij richtte op mijn vraag naar nadere informaties, blijkt dat minderjarige er had moeten afgezonderd worden wegen actieve en openlijke homoseksuele tendensen in perverse-psychopathische zin. De zenuwcrisis, waarvan sprake in de sociale enquête, omschrijft hij nader als volgt: ’… zij had zich massief aan gelaat en armen verwondt door talrijke ruiten kapot te slaan’.

Hoger vermeld feit was de oorzaak van de transfer naar de Psychiatrische Inrichting van het Stuivenberggasthuis te Antwerpen, waar ze gehospitaliseerd werd van 2 november 1954 tot 23 december 1954. Over haar verblijf aldaar schrijft de psychiater mij het volgende: ’In onze afdeling kwam zijn obsessief-impulsief, doch ook met berekening en met sluwheid, tot die uitingen, namelijk homoseksuele tendensen. Wijl zij anderzijds van doorlopende cephalea(*) sloeg, hebben wij ze in een afzonderlijke kamer gelegd onder impaludering(**), ten einde een geneeskundige verantwoording te hebben voor deze noodzakelijke maatregel. Haar hoofdpijn is thans verbeterd en haar gezindheid gemilderd, met duidelijke sedatie der agressiviteit. Uit het uittreksel van het medisch boek blijkt verder dat, daar de impaludatie mislukte, pyretotherapie met antityphus-vaccin ( vier koortstoppen) werd toegepast’.

Op 23 december 1954 kwam Huguette in het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge. De verblijfsduur van de minderjarige was te kort dan dat de zusters homoseksuele neigingen konden confirmeren. De minderjarige klaagde echter van voortdurende en geweldige cephalea, zodat de geneesheer en de directeur om een psychiatrisch onderzoek verzochten. De zusters wisten mij te vertellen dat de minderjarige zichzelf kwetst om te doen geloven dat zij zwaar ziek is en da zij bloed opgeeft, wijl haar hoofdkussen en tas vaak met bloed besmeurd zijn.

Sessie 3 februari 1955. De minderjarige verkeert in een soort droomtoestand, zwaait het hoofd steeds van links naar rechts en spreekt van haar vader. Als ze in de verte een deur hoort klappen, zegt zij: ’Hoort ge dat? Daar is mijn vader. Die komt mij weer bonken geven. En mijn hoofd doet zo’n pijn!’.

5 februari 1955. Huguette is zeer fit en vertelt mij, met veel details, haar ganse levensgeschiedenis. Zij beweert zich niet meer te herinneren mij op 3 februari gezien te hebben.

8 februari 1955. De minderjarige heeft enkele kleine ruitjes van haar kamer stukgeslagen.

10 februari 1955. Toen ik Huguette omstreeks 17 uur zag, was zij rustig. Zij was ondergebracht in een andere kamer. ’s Avonds omstreeks 19.15 uur sloeg zij echter een hele reeks ruiten stuk, waardoor zij zich overvloedig aan de handen kwetste. Aan de zuster die haar ’s anderendaags vroeg waarom zij dat gedaan had, antwoordde zij: ’Un avion passait. Il voulait me prendre avec. Je ne pouvais pas passer les carreaux. Alors je les ai cassées’ (’Een vliegtuig passeerde. Hij wilde mij meenemen. Ik kon niet door het raam. Daarom heb ik de ruiten gebroken’). Gans de nacht heeft ze liggen huilen, zodat zij de dag daarop hees was.

12 februari 1955.  Er is gedissocieerde desoriëntatie. De oriëntatie in tijd is goed, die in de ruimte echter niet. Zo denkt Huguette nog in Stuivenberg te zijn, ziet in mij eerst Dr. D., negeert dat dan zelf om vervolgens in mij zijn assistent te zien. In de zuster-verpleegster wil zij zuster Hortense herkennen. Patiënte heeft geürineerd in bed. Een cholorpromazinekuur van 75 mg. I.M. en 75 mg. per os wordt ingesteld.

15 februari 1955. De minderjarige schijnt wat te ontwaken uit haar droomtoestand. Zij ziet in mij de dokter van Brugge.

16 februari 1955. Patiënte ontwaakt verder, staat reeds wat op. ’s Namiddags zou de heer Directeur haar met mevrouw de Inspectrice bezoeken. Van zodra echter het punt van de gebroken ruiten aangeraakt wordt, vervalt zij in een deemstertoestand.

17 februari 1955. Patiënte kan ik heden in de spreekkamer spreken. Zij ziet er nog zeer verdwaasd uit en glimlacht af en toe gehebeteerd(***). Van zodra ik ook het thema van de stukgeslagen ruiten aanraak, zakt zij weg in een deemstertoestand, staat op, steekt dreigend de vuisten uit met de vraag: ’Moet ik nu die ruiten stukslaan?’, en loopt naar het venster om de daad bij het woord te voegen. Gelukkig kan ik haar tijdig bedwingen. De moeilijkheid, zo niet de onmogelijkheid van verzorging van de minderjarige alhier overwegende, - door haar roepen en tieren s’ nachts onder andere, zijn de andere meisjes, die altijd niet kunnen slapen, ’s anderdaags nauwelijks te beheersen! -, en de gevaren van een lange reis voor heropname in het Stuivenberggasthuis te Antwerpen in acht nemende, heb ik mij alsdan tot de droeve taak gedwongen gezien, de minderjarige in het dichtst bijliggende gesticht voor geesteszieken, met name het Gesticht O.L.Vrouw Barmhartigheid te St.-Michiels bij Brugge, te colloqueren met volgend protocol: ’Deemstertoestanden, agressiviteit met zelfverwondingen, illusionaire vervalsingen’.

(*) cephalea: hoofdpijn

(**) impaludering: in slaaptoestand brengen via medicijnen

(***) gehebeteerd: geestelijk afgestompt


II. Diverse onderzoekingen

A. Psychiatrisch onderzoek: Buiten alle deemstertoestanden om blijkt de oriëntatie in tijd en ruimte goed te zijn, de geheugenfuncties voldoende en de gedachtengang logisch. Bij de droomtoestanden echter is de oriëntatie gedissocieerd; die van de tijd is goed, die van de ruimte foutief. De andere denkfuncties, inherent aan deze desoriëntatie, zijn ook gestoord; bijvoorbeeld illusionaire vervalsingen.

Wat het gemoeds- en driftleven betreft, blijkt de fantasie rijk gekleurd te zijn, wijl, uit de inhoud der schemertoestanden, blijkt dat patiënte affectief getraumatiseerd is geweest (schrik van vader).

Er is geen psychomotorisch onderzoek afgenomen, deels omdat de evolutie van de toestand niet toeliet verstandstesten af te nemen, deels omdat het logischer is dat de geneesheer-psychiater die de verdere observatie zal leiden, de karaktertests zelf afneemt.


B. Somatische onderzoek:  Cardiovasculair (120/80), respiratoir, digestief en urogenitaal is er niets te vermelden. De reacties van Bordet-Wasserman, van Meinicke en van Kahn zijn negatief in het bloed.

Neurologisch klaagt het meisje van geweldige cephalea. Het objectief neurologisch onderzoek, omvattende de studie van de hoofdzenuwen, van de coördinatie, van de spraak, van de gang en het evenwicht, van de pees- en huidreflexen, van de sphincters(*), vastmotoren en tropisme, valt volkomen negatief uit. De oogfundus(**) vertoont niets bijzonders. Gezien de toestand van patiënte kon een electro-encephalogram niet verricht worden.

(*) sphincters: sluitspieren

(**) oogfungus: achterkant van het oog (onderzocht via oogspiegelonderzoek)


III. Epicrisis en besluit

A. Epicrisis: Voor het stellen van een diagnose van de huidige toestand moeten twee aspecten belicht worden, zijnde de prepsychotisch persoonlijkheidsstructuur en de psychotische deemstertoestand.

1. De prepsychotische persoonlijkheidsstructuur schijnt wel hysterisch getint te zijn. In die zin pleiten, behalve de indruk van de sociale assistente, het rapport van het St.-Benedictusgesticht, in mindere mate het rapport van professor D. en mijn eigen bevindingen alhier. De rijke fantasie van de minderjarige getuigt van een mythomane bodem: deze ongebreidelde fantasie wordt zeer goed beschreven door het verslag van voormelde inrichting, wijl in het verhaal dat het meisje mij opdiste makkelijk de mythomane elementen te duiden zijn; namelijk de scène met de vader in een café te Antwerpen, haar lotgevallen te Antwerpen (dansen in een dancing op het podium, razzia van de politie, ontmoeten van de moeder van een vriendin die zij nog niet kent). In het kader van de hysteropsychopathische aard past ook haar sluwheid en berekendheid. Van deze twee eigenschappen getuigen, behalve het objectieve rapport van professor D., volgende punten uit haar eigen verhaal: haar rapheid van geest bij het samenflansen van een geschiedenis voor de commissaris, haar ontsnapping aan de vrienden die haar zouden terugleiden naar huis, haar frequenteren van een joods milieu, en dergelijke meer. Ook de zelfmoordpogingen passen in het geheel: veelal heeft men gedacht dat hysterische patiënten slechts zelfmoordpogingen ensceneren, echter nooit verrichten; dit blijkt slechts een fabel te zijn. Schrijft Van der Vorst zelf niet: „Het oude bakerpraatje, dat de hystericus zich zelve geen pijn zou kunnen doen, zich geen werkelijk letsel zou kunnen toebrengen en geen suïcide-poging zou doen, die werkelijk gevaar zou kunnen opleveren, kan niet nadrukkelijk genoeg bestreden worden”. Tevens is markant dat die suïcide-tentaties steeds gebeuren in een voor de patiënte onaangename toestand en niet als een onverwachte volte-face bij een schizoïde patiënte, Voor schizoïde is overigens geen enkel argument.

Het probleem de homoseksualiteit is delicater. Professor D. is kordaat om ze te bevestigen: zie zijn rapport over het verblijf van de minderjarige in St.-Margaretha van Cortona en in de psychiatrische inrichting van het Stuivenberggasthuis te Antwerpen. Patiënte zelf negeert dit, legt de beweringen dat zij homoseksueel is, in andermans mond als gezegden van haar tweede verloofde en van een hare meesteressen. In hoeverre de verkleding in een jongen en het bezoek van een homoseksuele gelegenheid op homoseksuele tendensen berust dan wel zuiver verbeelding is, is moeilijk uit te maken.

De ecologie der hoofdpijn blijft duister. Mogelijk is dit psychogeen bepaald, al moet misschien rekening gehouden worden met restcephalia van een lichte commotie cerebri: patiënte zou immers, - en dat herleeft ze dikwijls in haar droomtoestanden -, vaak geslagen geworden zijn door haar vader, waardoor ze zelfs eens van al de trappen rolde.


2. Wat de droom- en schemertoestanden betreft ligt het niet in mijn bedoeling een uitgebreide differentiële diagnose te bespreken. Daar de overige en, onder andere, de epileptische schemertoestanden praktisch niet in aanmerking komen, - een E.E.G. kan dit desnoods nader onderzoeken -, gaat het slechts om een differentiëring tussen schizofrenie, hysterische psychose en episodische droomtoestanden van Kleist. Noch de prepsychotisch persoonlijkheidsstructuur, - zeker geen schizothymie, noch schizoïde!-, noch het verloop, - wisselende waak- en schemertoestanden -. noch de inhoud van het klinisch beeld, - afwezigheid van de drie grondsymptomen der schizofrenie, - zijnde de denkvorm, de affectieve (parathymie) en de subjectieve (depersonalisatie) -, evenals van de accessorische(*)  symptomen, pleiten voor een dementia praecox. Bovendien ontbreekt mij, wat Rümke genoemd heeft, het praecox-gevoel. Mijns inziens zijn daarentegen drie voorwaarden vervuld die Van der Horst gesteld heeft voor een hysterische psychose, zijnde: eerstens een duidelijke bewustzijnsverlaging, een langere tijd aanhoudende schemertoestand met alle kenmerken als latere amnesie „Schwer-Besinnlichkeit”, soms lichte, soms zware oriëntatie-stoornissen, miskenning van de omgeving en van personen, enzovoort; eventueel pseudo-hallucinaties; ten tweede, het hysterisch gedrag, waarbij in de eerste plaats aan de onechtheid, maar verder ook aan het infantiele, het narcistische, de beperkte egocentrische interessesfeer, de voorwaardelijke levenshouding en zoveel andere momenten de betekenis moet worden gegeven die daaraan toekomt; ten derde, dat de prepsychotische  persoonlijkheid  reeds hysterische trekken heeft vertoond. Dat de zelfmoordpogingen heel goed in het kader van een hysterische psychose passen, werd reeds hogerop belicht. Wat ten slotte de mogelijkheid van episodische schemertoestanden van Kleist betreft, welke klinisch behoort tot de rand- of degeneratie-psychosen: voor deze vorm pleit de cephalea; pleiten er tegen de leeftijd (slechts vanaf dertig jaar), de inhoud van de waanbelevingen, de afwezigheid van hallucinaties en de prepsychotisch karakterstructuur. In het uitbreken der droomtoestanden is er geen argument pro te vinden, daar deze weliswaar nu eens autochtoon, meestal echter reactief ontstaan. Ik houd dan ook de hysterische psychose voor de meest waarschijnlijke diagnose.

Verdere observatie en behandeling van de minderjarige was moeilijk. Reeds heb ik het klinisch beeld moeten onderdrukken met chloropromazine-injecties omwille van uitwendige omstandigheden, zodat de observatie zeer moeilijk, omzeggend onmogelijk werd. Nu de diagnose praktisch op punt staat, ware een behandeling omwille van gebrek aan inrichting en geschoold personeel, onmogelijk geweest. IK heb mij dus moeten neerleggen bij een collocatie.

B. Besluit: Bij Huguette is tijdens haar verblijf alhier een acute psychose, hoogstwaarschijnlijk een hysterische, ontstaan die een collocatie noodzakelijk maakte.

Ik zweer mijn opdracht in een en geweten volbracht te hebben. Zo helpe mij God!

Getekend Dr. R.V.

(*) accessorisch: bijkomend


Opmerkingen

Dit verslag is een mooi voorbeeld van de moraliserende mentaliteit in de benepen jaren vijftig van de vorige eeuw. Een sfeer die ik in mijn geboortestad, waar de inrichting was gevestigd waar Huguette toen zat, aan de lijve heb ondervonden. Naar de cinema gaan, roken en zelfs detective romans lezen was zondig. Geslachtsbetrekking op jonge leeftijd was een reden voor opname in een gesloten inrichting. Homoseksuele relaties waren helemaal uit den boze.

De psychiater geeft een getrouw verslag van de verhalen over de fantastische belevenissen van Huguette. We weten niet wat waar of niet waar is. Het gaat blijkbaar slechts om de symptomen.

Een meisje als Huguette is in een orthopedagogisch instituut niet te behouden. Gedwongen opname in de jeugdpsychiatrie is de enige mogelijkheid. Ook nu nog is er in de jeugdhulpverlening vaak discussie over de noodzaak van meer opvangplaatsen in de jeugdpsychiatrie.

De conclusie van de psychiater is dat orthopedagogische behandeling voor deze minderjarige niet geschikt of onvoldoende is. Hij verwijst haar door naar de psychiatrische kliniek voor gedwongen opname. Een tante van mij had enkele jaren later de leiding over deze kliniek, als ’Moeder Overste’. Zij vertelde mij dat meisjes van het heropvoedingsgesticht in haar kliniek niet meer werden opgenomen, wegens ’te moeilijk’. Dit beleid is ondertussen teruggedraaid, wellicht omdat er nu medicijnen zijn die deze patiënten permanent in een schemertoestand brengen … (ik vrees, maar hier ben ik niet zeker van, dat bij jeugdige patiënten door deze zware medicamenteuze behandeling de hersenen, die nog in ontwikkeling zijn, definitief beschadigd worden).

Toen ik in Nederland eveneens van een gesloten behandelingsinstituut directeur werd, was er een nauwe samenwerking met de jeugdpsychiatrie. Meestal is een combinatie van orthopedagogische en psychiatrische behandeling noodzakelijk.

In die tijd, tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw waren hulpverleners, meestal nonnen, en de psychiater incluis, obsessief bezig met homoseksualiteit. Toen ik twintig jaar later directeur werd van het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge, trof ik nog restanten hiervan aan. Het hoofd van de keuken, - een oude vrijster die nog bij haar vader woonde -, die er al meer dan dertig jaar werkte, liet bijvoorbeeld de braadworsten in stukjes snijden alvorens de maaltijden naar de leefgroepen te brengen. Zij begon te blozen toen ik vroeg waarom. Later vernam ik dat hiermee voorkomen moest worden dat de meisjes de worsten als dildo gebruikten en elkaar ophitsten. Ook stond in het reglement dat absoluut nooit twee meisjes alleen gelaten mochten worden. Er was dus permanent toezicht om lesbische handelingen te voorkomen.

Toen ik later van een gelijkaardige inrichting in Nederland directeur werd, was er geen sprake meer van seksuele ’perversies’. Groot voordeel was dat het personeel gemengd was ( in Brugge was ik de enige man, naast de psychiater die twee keer in de week langs kwam) en dat over seksualiteit op normale wijze gepraat kon worden. Wat een zegen voor de mensheid dat eender welke seksuele geaardheid nu aanvaard wordt!

Toelichting: dit obsessief bezig zijn met seksualiteit door de opvoeders in deze gestichten moeten we zien in de tijd van toen. Ook in gewone schoolinternaten was dit schering en inslag. In zijn autobiografie ’La traversée des fleuves’ beschrijft Georges-Arthur Goldschmidt zijn ervaringen in een katholiek internaat in Frankrijk. Hij was opgegroeid in Duitsland en werd in het begin van de Tweede Wereldoorlog door zijn joodse ouders naar dat internaat gestuurd. De directrice voerde er een waar schrikbewind. Dagelijks werden straffen uitgedeeld, dan moesten de jongens hun broek laten zakken en ze kregen er van langs met een zweep op hun blote kont terwijl de anderen moesten toekijken. Elke maand moesten ze een voor een naar het kantoor van de directrice komen waar ze volledig naakt werden gewogen, zogenaamd om de gezondheid van de leerlingen bij te houden. Priester-leraren lieten de jongens individueel naar hun kamer komen, waar ze tot in de details werden uitgehoord over hoe ze zich masturbeerden. De priester die voor de orde op de slaapzaal moest zorgen, deed elke avond alsof hij de zaal had verlaten. Hij deed slechts de deur even open en dicht, maar bleef in de slaapzaal. Zodra hij gerucht hoorde of een jongen hoorde hijgen, flitste hij zijn zaklamp aan en richtte de lichtstraal op de grote zondaar.


TERUG NAAR OVERZICHT

HOME


© Juliaan Van Acker 2017