http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Marie-Therèse

Maatschappelijke enquête opgemaakt in mei 1957 (minderjarige was toen 12 jaar en 2 maanden)

Marie-Therèse is geboren op 12 februari 1945

15 januari 1955: diefstallen van kleine geldsommen in de gemeenteschool. Tussenkomst van de politie die proces-verbaal opmaakt.

9 januari 1957: haar moeder legt klacht neer bij de politie ten laste van haar dochter. Marie-Therèse maakte zich plichtig aan verschillende diefstallen van kleine geldsommen. De moeder vraagt de tussenkomst van de Heer Kinderrechter voor een vermaning.

20 januari 1957: diefstal van een vulpen ten nadele van haar onderwijzeres. De politie maakt proces-verbaal op.

Oorzaken van niet aanpassing

Marie-Therèse vertoont zeer sterke neigingen tot het plegen van diefstallen; een kwaal waarin zij herhaaldelijk verviel. De niet-aanpassing is grotendeels het gevolg van de gebrekkige opvoeding dat het meisje jarenlang genoot bij haar grootouders, toen de ouders gescheiden leefden. De omgang met haar oudere zusters was haar op moreel gebied zeer nadelig. De vader is, wegens beroepsbezigheden, weinig thuis en staat zeer onverschillig tegenover de toestand en het gedrag van zijn kinderen. De moeder is weinig bekommerd om het lot van haar dochter en oefent een zeer onvoldoende bewaking over haar uit. Zij zelf geniet geen goede faam op zedelijk gebied.

In het belang van het meisje ware het wenselijk dat zij zou geplaatst worden in Margaretha van Cortona te Antwerpen, waar ook haar oudere zuster verblijft. Deze plaatsing was haar uitdrukkelijke wens Ook haar moeder stemt hiermee in.

Gezinsmilieu

De vader is zeevisser, Er zijn van hem geen gerechtelijke antecedenten gekend. Hij stamt uit een slecht befaamde familie. Hij is zeer weinig thuis. Na de scheiding met zijn vrouw leefde hij samen met een meisje van 18 jaar. Hij is verslaafd aan de drank. Wanneer hij aan wal is, verbrast hij een groot deel van zijn loon. Vooral zijn dochters zouden zijn karakter en neigingen delen. De verstandhouding met zijn vrouw is thans goed, maar zeer kwetsbaar. De taak van bewaking van de kinderen laat hij over aan zijn vrouw.

De grootvader langs vaderszijde is tijdens gevangenschap in 1955 overleden.

De moeder is huishoudster. Ook van haar zijn geen gerechtelijke antecedenten bekend. Zij verliet na negen jaar huwelijksleven het echtelijk dak en ging gedurende zeven jaar samenleven met een bijzit. Zij had somtijds contact met haar kinderen die samen met hun vader bij zijn ouders woonden. Zij heeft een slecht verleden op zedelijk gebied. Ze is lichtzinnig en vooral gemakzuchtig. Zij houdt een zeer zwakke bewaking over haar kinderen. Ze verklaart onbewimpeld dat haar dochters zich slecht gedragen en legt de schuld bij haar schoonouders bij wie de kinderen verbleven na haar scheiding. De moeder was te streng toen het al te laat was. Zij heeft eens twee van haar dochters het haar volledig afgeknipt. Zij wenst uitdrukkelijk dat haar dochter Marie-Therèse geplaatst wordt in Antwerpen „om er van af te zijn”.

Broers en zussen: Marie-Therèse heeft een oudere broer en twee oudere zussen. De broer is zeeman en is van goed gedrag. De oudste zus is dienstmeid, gedraagt zich slecht en wil geen deel meer uitmaken van het gezin. De andere zus zit in het heropvoedingsgesticht te Antwerpen. Ze is er door de Heer Kinderrechter geplaatst omwille van openbare zedenfeiten.

Het kind: Er zijn geen erfelijke antecedenten. Marie-Therèse is een paar maanden te vroeg geboren en verbleef na de geboorte een drietal maanden in het Moederhuis. Er zijn geen aangeboren gebreken. Ze heeft een goede gezondheid, is nooit ernstig ziek geweest en heeft een grote eetlust.

Persoonlijkheid: verstandelijk middelmatig begaafd. Gebrek aan wilskracht en inspanning. Geen bijzondere aanleg, is vooral zwak in rekenen.

Marie-Therèse zocht alle redenen uit om aan de bewaking van de moeder te ontsnappen en op straat te lopen. Ze trachtte steeds aan geld te geraken om snoeperijen te kopen en legde daarbij een grote behendigheid aan de dag.

Haar ouders waren voor haar geen voorbeeld. Tijdens haar verblijf bij de grootouders vertoefde zij in een moreel zwaar ongezond midden. Zij stond vooral onder invloed van haar oudere zusters. Thuis had zij voldoende gelegenheid om tijdschriften en revues te lezen die niet pasten bij haar leeftijd (Picollo bijvoorbeeld).

De onderwijzeres stelde een grote vernielzucht bij haar vast. Na de verscheidene feiten waaraan zij zich plichtig maakte, had zij geen speciale vriendinnetjes meer. Zij gedraagt zich goed wanneer ze onder toezicht staat.

Marie-Therèse vertoont een zeer sterke neiging tot stelen. Zij laat zich zeer gemakkelijk meeslepen door andere meisjes tot ongeoorloofde handelingen. Zij zou op zedelijk gebied wel bedorven geweest zijn door haar oudere zus.

Zij heeft een koppig karakter. Wanneer zij iets misdaan heeft, is zij toch rechtzinnig in haar bekentenissen. Zij is zeer slordig op school en thuis.

Het meisje is Rooms-Katholiek. De ouders praktiseren niet. Zij vervult regelmatig haar zondagsplicht onder toezicht van de  ouders. Op zedelijk gebied is zij zeer rijp en heeft al op jonge leeftijd reeds te veel gehoord en gezien.

Het spijt haar dat ze misdreven heeft. Zij werpt de schuld op haar zusters die haar alles geleerd hebben. Zij wenst nu geplaatst te worden bij haar zuster in het gesticht te Antwerpen. Zij meent dat ze daar meer vrijheid en een beter leven zal hebben dan thuis.

Op 12 juli 1957 werd ze geplaatst in het Tehuis „Salve Regina” te Zevekote. Naar aanleiding van difterie in de inrichting werd een eerste keelonderzoek gedaan en Marie-Therèse werd negatief bevonden. Ze volgt er het zevende studiejaar. Rekenen is haar beste vak, Ze werkt zeer onregelmatig en is zeer slordig op haar gerief. Zij is gedienstig en helpt graag bij de kleintjes. Ze is zeer gehecht aan haar zuster. Zij heeft een neiging tot oneerlijkheid en is sluw om haar doel te bereiken. Het is een ruziestoker en ze is twijfelachtig op zedelijk gebied. Ze kan zich moeilijk aanpassen aan de andere kinderen en kan moeilijk gehoorzamen. Ze heeft een regelmatige briefwisseling en regelmatig bezoek van haar moeder.

Vervolg na dit maatschappelijk verslag

Nadat Marie-Therèse teruggeplaatst is bij haar moeder, vraagt ze zelf opnieuw een plaatsing aan omwille van mishandeling door haar moeder. Zij gaat echter bij haar zuster in Antwerpen wonen, waar ze ook werk vindt. Zij wordt seksueel lastig gevallen door haar schoonbroer, zodat ze geplaatst wordt in een tehuis. Ook daar kan ze niet blijven. Op haar werk is ze afgedankt wegens diefstal. De directrice van het tehuis zegt over haar: „Ze is manziek. Ze liegt dat het kraakt. Ze is nergens tevreden. Zij heeft een psychiater nodig”. De Kinderrechter grijpt nu in en ze wordt overgebracht naar het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge.


Commentaar

Van kleine diefstalletjes, bijvoorbeeld een vulpen van de juf op school, tot opname in een gesticht dat in feite een jeugdgevangenis is: tussen haar twaalfde en zeventiende levensjaar is weinig gebeurd dat die ontwikkeling kon afbuigen. Thuis werd ze schromelijk verwaarloosd. Na de scheiding van haar ouders, verbleef zij bij haar grootouders en dat was een zeer dubieus milieu. Daarna drong haar moeder aan op een plaatsing ’om er vanaf te zijn’.

Het meisje steelt geld om snoep te kunnen kopen. Het zou best kunnen zijn dat de zoetigheden een compensatie zijn voor de liefde en de warmte die ze haar hele jonge leven al moest ontberen.

De andere opvoeders, op school en in de tehuizen, van wie we zouden mogen verwachten dat zij dit ongelukkige meisje met veel warmte ondersteunen, wijzen haar af. Ze wordt op haar zeventiende zomaar teruggestuurd naar haar moeder, die haar mishandelt. Het loopt uiteindelijk slecht af.

In onze tijd zou het een goede zaak zijn indien de jeugdhulpverlening op de scholen is gevestigd. Vooral in scholen waar veel kinderen uit kansarme gezinnen aanwezig zijn. Dit heeft vier voordelen: ten eerste kunnen de gespecialiseerde gedragswetenschappers de leerkrachten adviseren en bijstaan bij de aanpak van kinderen met gedragsproblemen of emotionele problemen. Ten tweede kunnen kinderen die risico lopen in een vroeg stadium worden geholpen, want op school vallen de kinderen met problemen snel op. Ten derde zal de hulpverlening of behandeling in een normale omgeving kunnen plaatsvinden. Ten vierde zal de samenwerking school-jeugdhulpverlening-gezin bevorderd worden door deze maatregel.

In dit verband kan een anekdote misschien illustreren wat meisjes als Marie-Therèse fundamenteel ontberen. Toen ik eind jaren zeventig directeur was van een gesloten behandelingsinstituut in Nederland, werkte daar een oudere juffrouw die de meisjes, die er interesse voor hadden, handwerkjes leerde. Dat deed zij in haar eigen, gezellig ingericht atelier, waar de meisjes individueel naar toe kwamen. Die juffrouw vertelde mij dat ze ook verhaaltjes voorlas uit boeken die voor kleine kinderen bedoeld waren. Dan gebeurde het dat de meisjes, meiden van 16 of 17 jaar, bij haar op schoot kwamen zitten. Niemand zag het. Niemand wist het. Ik weet niet of we dat therapie of wat dan ook mogen noemen. Misschien zijn er mensen die zoiets zouden afkeuren. Persoonlijk greep mij dat heel sterk aan, omdat dit bewijst wat deze meisjes gemist hebben. Er zijn helaas kinderen die nooit eens geknuffeld worden, die veilige warmte missen en voor wie een volwassene nooit eens een verhaaltje heeft voorgelezen bij het slapengaan. Voor die meisjes is die oude juffrouw een zegen geweest.


Introductie

Homepage

© Juliaan Van Acker 2017