http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Opstanden  te Brugge

OPSTANDEN IN HET RIJKSOPVOEDINGSGESTICHT TE BRUGGE: REVOLUTIE EN ’DE KOLENSLAG’

1. Revolutie

In het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge brak op 28 juli 1955 een opstand uit. Eerwaarde Zuster Celestine, sectie-overste, schreef hierover het volgende verslag voor de directeur:

„Op 28 juli 1955 waren de leerlingen Rose, Mireille, Mariette, Ginette, Berthe en Suzanne zeer opgewonden en gaven gans de dag storing met onderduims praten. Ten slotte hoorde ik dat er sprake was van een opstand, maar ik wist niet hoe of wat.

’s Avonds om half zeven wilden ze niet in speeltijd gaan en bleven op hun plaats zitten in de zaal. Ineens sprongen ze recht, nadat Rose hun gevraagd had: ’Wel, is het ja of nee?’, en ze begonnen met de kast voor de deur te schuiven. Ik dacht langs de slaapzaal weg te gaan, maar ze sprongen voor me. Het gedacht kwam me seffens te binnen dat ze me gaan opsluiten en ik sprong terug in de zaal. Ginette sprong bij mij en dreigde mijn sleutels af te nemen en ik begon mij te verdedigen met strengheid. Na twee pogingen liet ze mij met rust en liep met de vijf anderen leerlingen de slaapzaal binnen en plaatsten daar de kast met de klederen van de leerlingen voor de deur.  Ik deed natuurlijk rap de deur op slot en liep om hulp.

Mijnheer Bestuurder moest hulp inroepen van de politie. Deze heeft anderhalf uur moeten werken om er binnen te geraken en de leerlingen in hun kamers te brengen”. Getekend: zuster Celestine.

Op 29 juli 1955 werd hiervan het volgende verslag gemaakt voor de Heer Minister van Justitie, Poelaertplaats, 4, te Brussel.

„Zoals blijkt uit het hierbij gevoegd verslag van Zuster Celestine, sectie-overste, waren de zes minderjarigen Rose U., Bertha P., Ginette R., Suzanne M., Mariette, B., en Mireille V. gans de dag van 28 juli 1955 zeer opgewonden, waarschijnlijk door de incidenten op het moederhuis van de avond tevoren, toen de politie ook moest ingrijpen en waarvan zij vermoedelijk de echo’s hadden gehad. Het schijnt zelfs dat enkelen zouden gezegd hebben dat de politie ook eens bij hen moet komen.

Na het avondmaal weigerden ze alle zes de werkzaal te verlaten om de speeltijd in open lucht door te brengen, zoals de gewoonte is, en ze bleven binnen. Zuster Celestine bleef bij hen. Op zeker moment stond de minderjarige Rose recht en vroeg aan de anderen: ’Wel, is het ja of nee?’. Daarop sprongen ze allen recht en begonnen een kast voor de deur te plaatsen. Zuster Celestine die zich bedreigd voelde, wilde de werkzaal verlaten langs een andere uitgang, doch ze werd tegengehouden door de opstandelingen. De minderjarige Ginette wilde haar de sleutels ontnemen. Zuster Celestine heeft zich echter niet laten doen en heeft haar sleutels kunnen behouden.

De zes opstandelingen zijn dan gegaan in een der ongebruikte kamers, waar de kleerkast met de kleren der leerlingen staat, en zuster Celestine heeft onmiddellijk de deur op slot gedaan en alarm gegeven.

Door het tumult dat deze meisjes maakten, sloeg de opstandige beweging over naar de verst gelegen sectie, juist beneden de kamer waar de opstandelingen zich verscholen hadden. Na het avondmaal weigerden ook drie leerlingen van die afdeling naar hun kamer te gaan en barricadeerden zich in de refter der sectie met alle voorhanden zijnde meubelen die tegen de deuren werden geplaatst. Deze drie minderjarigen waren: Odette, Marie-Jeanne en Mariette. Al wat breekbaar was, werd vrijwillig aan stukken geslagen: tassen, borden, vazen, beelden, enzovoort. Ook meubelen werden beschadigd.

Tegenover deze opstand in twee afdelingen tegelijk stonden wij machteloos en daarom werd de hulp van de Brugse politie ingeroepen. Deze beantwoorde onze oproep en de Heer Politiecommissaris samen met een zestal agenten waren na enkele minuten ter plaatse. Ik oordeelde dat het best ware eerst de drie opstandelingen van de verst gelegen sectie te overmeesteren. Alvorens de politie te laten optreden, heb ik de drie verschanste leerlingen driemaal gesommeerd de deuren te ontzetten en zich te onderwerpen. Zij lachten mij honend uit, waarbij zich vooral Marie-Jeanne onderscheidde.

Ik heb dan de politie opdracht gegeven de deur open te breken, hetgeen in een ommezien geschiedde. Ten einde een kwade slag te vermijden, zijn de politieagenten de refter binnengedrongen, zich het hoofd beschermende met een stoel. De tegenstand welke de drie opstandelingen boden, was spoedig overwonnen en ze werden in een afzonderingscel opgesloten.

Daarna heb ik mij met de politie naar de sectie van Zuster Celestine begeven om de zes andere opstandelingen te overmeesteren. Deze hadden de kamer gebarricadeerd door een grote, zware kleerkast tegen de deur te plaatsen en deze op te schoren met stoelen, koffers en al wat zich in die kamer bevond, tot tegen de tegenovergestelde deur. De deur opende slechts op een kier en door de opschoring was het onmogelijk de kast te verschuiven. De politie heeft dan gepoogd de kast omver te stoten, doch daar ze in de kamer met zes waren om dit tegen te houden, lukte dit niet.

Een ogenblik hebben wij eraan gedacht de brandweer te ontbieden om langs het getralied venster de opstandelingen te bespuiten, doch gezien het gevaar voor storingen in de elektrische leidingen, die het overvloedig water zou kunnen veroorzaken, werd hiervan afgezien.

Méér dan een uur heeft de politie moeten werken om zich een doorgang te maken. Ze is er eindelijk in gelukt door de kleerkast gedeeltelijk te vernielen, Rond 20 uur 1/2 konden de opstandelingen overmeesterd worden en gedeeltelijk naar afzonderingscellen gebracht; bij gebrek aan voldoende afzonderingscellen werden de anderen naar hun persoonlijke kamers overgebracht.

De Heer Politiecommissaris heeft, alvorens het gesticht te verlaten, een verklaring aanhoort van Zuster Celestine en heeft de verdere diensten der politie aangeboden voor de nacht. Hij heeft tevens gezegd dat de betrokken leerlingen een der volgende dagen zouden overhoord worden.

Tot laat in de macht hebben deze negen opstandelingen geroepen en getierd, op de deuren der cellen en kamers gestampt en geslagen, zodat het luid weerklonk in de omgevende straten der stad. Hierbij onderscheidden zich vooral: Odette, Marie-Jeanne en Aimée. Deze laatste was eigenlijk in de feitelijke opstand niet betrokken omdat zij die dag in afzondering was. Het was 1 uur 1/2 toen ik mijn laatste ronde in het gesticht heb gemaakt en er alles betrekkelijk kalm vond.

De minderjarigen Suzanne en Rose hebben ook de ruiten van de huiskamer stuk geslagen.

Dr. Dendooven, telefonisch verwittigd, heeft haar instemming gegeven voor de nacht aan de opstandelingen een inspuiting met somnifère toe te dienen. Om 22 uur is dr. Dendooven zelf nog in het gesticht gekomen en heeft nog een tweede inspuiting toegediend aan een vijftal der meest luidruchtige minderjarigen. Ze heeft ook de heer Wouters, huisbewaarder, onderzocht. Deze had de politie bijgestaan bij het openmaken der celdeur en had zich, door de grote inspanning, erg bezeerd in de rugstreek.

Rond 21 uur 1/2 heb ik Juffrouw Huynen, Directeur van Bestuur bij de Dienst der Kinderbescherming, telefonisch kunnen bereiken om haar mededeling te doen van het gebeurde en haar dringend te verzoeken onmiddellijk een afgevaardigde van het Hoofdbestuur naar Brugge te willen zenden om ter plaatse de toestand te komen nagaan.

Vandaag 29 juli heb ik enkelen der minderjarigen ondervraagd om te weten te komen met welk doel zij zich verschanst hadden in een kamer waar zij zelf niet meer uit konden. Rose heeft mij geantwoord: ’Om ons te amuseren’ en Ginette zegde uitdagend: ’Voor de revolutie’.

Echo’s kwamen mij ook ter ore dat het doel der opstandige leerlingen zou zijn het personeel moeilijkheden aan te doen en hen hetzelfde lot te doen ondergaan als de opvoeders van St.-Hubert(*).

Ik meen dat er tegen zulke kwaadwillige bedoelingen heftig moet gereageerd worden en ik besluit dit verslag met aan te dringen op speciale maatregelen tegenover deze opstandelingen: aanklacht bij het gerecht en overbrenging van de meest schuldigen naar een gevangenis.

Ondergetekend door de Bestuurder.

(*) In die tijd was in het rijksopvoedingsgesticht te St.-Hubert een schandaal uitgebroken. De ’opvoeders’ waren na de oorlog bewakers geweest in werkkampen voor collaborateurs en werden daarna, toen die kampen werden opgeheven, gedetacheerd naar het rijksopvoedingsgesticht waar ze een waar schrikbewind voerdenVijftien jaar later vertelde de inspecteur-generaal van de Directie Jeugdbescherming, Maurice de Cnyf, mij dat hij destijds de wantoestanden in het rijksopvoedingsgesticht te St.-Hubert moest onderzoeken, na de grote ophef in de kranten. Toen hij de toenmalige minister van justitie adviseerde beter opgeleid personeel te benoemen, vroeg de minister ’Waarom?’. Toen de Cnyf antwoordde dat de opvoeders bijvoorbeeld gesprekken moesten voeren met de minderjarigen, repliceerde de minister: „Moeten de bewakers dan praten met de gedetineerden?”. Deze minister had geen enkele voorstelling van de kinderbescherming en had zelfs geen inzicht in de geest van de Wet op de Kinderbescherming. De geschiedenis leert dat slechts eenmaal in honderd jaar een minister van justitie werkelijk belangstelling heeft voor de jeugdbescherming en er ook goede ideeën op nahoudt.

2. De Kolenslag

Op 30 juli 1956 brak in het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge onder de opgesloten meisjes opnieuw een van de vele opstanden uit. Toen ik achttien jaar later daar directeur werd, hadden oudere personeelsleden het nog over de zogenaamde „Kolenslag”. In die tijd werd de centrale verwarming gestookt met steenkolen. De meisjes hadden zich verschanst in een kelder waar een reusachtige voorraad steenkolen lag. Toen de opgeroepen politiemensen hen wilden eruit halen, werden zij met steenkolen bestookt. Hieronder het verslag van Eerwaarde Zuster Marie-Lucie, sectie-overste.


„ Op 30 juli 1956, tijdens de avondrecreatie en voor het avondmaal, gedroegen de leerlingen van de sectie zich erg lichtzinnig. Tijdens het avondmaal gedroegen zij zich brutaal en ik moest opmerkingen maken, in het bijzonder tegen Leone, Marguerite en Renelde. Marguerite had een stuk vlees in haar handen genomen en begon er zo in te bijten. Renelde vondt het eten vies, terwijl het altijd excellent is. Zij had het ook over haar zieke moeder waarover ze zei: ’Ik hoop dat ze spoedig crepeert, want dan ben ik vrij!’.

Na het avondmaal, wanneer de leerlingen naar de speelplaats gingen vooraleer ze naar hun kamers zouden gaan,  zag ik Leone die iets verborg in haar handtas. Ik vroeg haar die handtas te geven, wat zij weigerde. Leone zei: ’Ik heb nog liever een strenge straf, dan dat ik die handtas geef. En bovendien, ik ga straks niet naar mijn kamer’.

Ik heb Leone toen in de refter opgesloten en ik ging terug naar de speelplaats om de andere leerlingen naar hun kamer te begeleiden. Toen ik het signaal gaf in de rij te komen staan, zeiden de leerlingen dat ze niet naar hun kamer gingen. Dat het nog geen tijd was. Toen ik zei dat het wel tijd was, weigerden ze te gaan!

In tussentijd had Leone een ruit van de deur kapotgeslagen en zij ontsnapte uit de refter. De andere leerlingen applaudisseerden voor haar stoutmoedigheid. Ik voelde mij meer en meer bedreigd en drukte de alarmknop in.

Drie leerlingen gingen toen naar hun kamer, maar zeven anderen zochten naar middelen om zich te verdedigen. Ze openden het deksel van de gierput en gooiden emmers stront naar diegenen die hen probeerden te benaderen. Met stukken hout werden de ramen en de ruiten van de deuren kapot geslagen. Wij hebben 28 gebroken ruiten geteld. 

De leerlinge Aimée kreeg toen het idee zich te verschansen in de kelder van de centrale verwarming. Zij gingen erbinnen via de opening waarin de kolen worden gestort. Met z’n zevenen gingen ze in die kelder. Met een kast en allerlei materiaal dat zich daarin bevond, barricadeerden ze de deur van de kelder.

Ondertussen was de directie gewaarschuwd, maar tegen deze groep kon men weinig uitrichten. Daarom werd de politie opgeroepen die snel ter plaatse kwam. Oproepen van de directeur en van de politie werden beantwoorden met scheldpartijen en provocaties. De minderjarigen hadden zich bewapend met alle mogelijke voorwerpen die in de kelder te vinden waren zoals  grote steenkoolbrokken en ijzeren poken. De politie achtte het noodzakelijk versterking in te roepen. De commissaris van politie heeft toen gebeld met de heer substituut procureur om de hulp in te roepen van de rijkswacht. Mijnheer de substituut heeft toen de rijkswacht opgeroepen en eraan toegevoegd dat ze alle noodzakelijk geachte middelen mogen gebruiken om de opstandelingen te overmeesteren, want dat is de uitdrukkelijke wens van de directeur.

Drie rijkswachters zijn toen gekomen. Na een nieuwe oproep aan die leerlingen en een nieuwe weigering om dit op te volgen, heeft de politie en de rijkswacht de ruiten van de gebarricadeerde deur gebroken en met een brandslang werd water in de kelder gespoten. Toen hebben zij een raam uitgebroken om zich toegang tot de kelder te verschaffen. Zij werden onthaald met een regen steenkolen en ze werden bedreigd met de voorwerpen waarmee de minderjarigen zich bewapend hadden.

Rond 20 uur hebben de minderjarigen zich overgegeven en een voor een werden ze begeleid naar hun kamer of naar een isoleercel. Een drietal heeft tot het uiterste zich verzet en ze werden hardhandig aangepakt door de rijkswacht en de politie.

In hun kamers gingen ze tekeer als duivels. Ze vernietigden het meubilair en gooiden de ramen stuk. Ik heb toen dwangbuizen gehaald en met behulp van de tuinman, de conciërge, de politie en de rijkswacht werden die opstandige leerlingen erin vastgemaakt.

Ik heb de commissaris, de politieagenten en de rijkswachters bedankt voor de hulp die ze hebben geboden om de opstandige leerlingen te overmeesteren. De agenten en de rijkswachter verlieten de kelder, zwart als kolen en twee van hen waren licht verwond. Zij werden verzorgd door de zuster-verpleegster van het gesticht.

Tussen de opstandige leerlingen waren er twee die eerder aan de opstand van 27 en 28 juli 1955 hadden deelgenomen, met namen Leone en Marie-Jeanne. Een andere minderjarige, Odette, die toen ook opstandig was, zat nu in de isoleercel, zodat ze aan deze opstand niet heeft deelgenomen, wat ze anders zeker gedaan zou hebben.

Rond twee uur s’ nachts was het eindelijk rustig. Toen werden de minderjarigen uit hun dwangbuis gehaald.

Ondergetekend door Eerwaarde Zuster Marie-Lucie en de Heer Directeur.

*****************


Hieronder gevalsbeschrijvingen van meisjes opgenomen in het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge:

Introductie

Homepage

© Juliaan Van Acker 2017