http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Rijksopvoedingsgesticht Brugge 1973-75

In deze tweede reeks kinderbeschermingsverhalen vat ik de dossiers samen van meisjes uit de tijd dat ik directeur was van het ’Rijkskliniek- en opvoedingsgesticht’ te Brugge. Dat was in 1973-1975. Achteraf gezien had ik die benoeming nooit mogen aannemen. Ik had die inrichting vijf jaar lang gevolgd als inspecteur van de Directie Jeugdbescherming te Brussel. Ik had de minister van justitie geadviseerd die inrichting te sluiten wegens gebrek aan bevoegd personeel en een pedagogisch klimaat dat averechts werkte en de toekomst van de opgenomen meisjes op het spel zette. In plaats daarvan werd mij gevraagd de functie van directeur van die inrichting op mij te nemen. Ik was 33 jaar oud en nam in onbezonnen enthousiasme die opdracht aan. Het ware beter geweest indien ik als voorwaarde had gesteld een aantal gekwalificeerde personeelsleden te kunnen aanwerven.

De eerste dag van mijn aanstelling kreeg ik al een koude douche over mij heen: de stafmedewerkers kwamen mij opzoeken en hun eerste vraag was wanneer ze hun recuperatiedagen konden opnemen. Recuperatiedagen zijn dagen die ze teveel hadden gewerkt. De vorige directrices waren heel vaak en langdurig ziek geweest of op zwangerschapsverlof en er was te weinig personeel, zodat de stafmedewerkers vaker dan normaal hun functies moesten waarnemen. Het aantal recuperatiedagen per stafmedewerker lag tussen de 80 en 180 dagen. Tot hun verbijstering zei ik dat ze vanaf de volgende dag al hun recuperatiedagen konden opnemen.

Aangezien de enige die mij mocht vervangen het meest recuperatiedagen had, moest ik zes maanden lang, 24 uur per dag en zeven dagen per week, de leiding van de inrichting voor mijn rekening nemen. Een voordeel was dat ik nu in alle vrijheid een nieuwe pedagogische behandelingsmethode kon organiseren. Na die zes maanden, toen ik eindelijk enkele vrije dagen kon opnemen, ben ik voor tien dagen in mijn eentje naar Parijs getrokken. Ik huurde daar een scooter en heb elke dag de hele metropool doorkruist, zonder stadsplan en vrij als een vogel.

Een dieptepunt in mijn tijd als directeur van het rijksopvoedingsgesticht te Brugge was de dag dat meerdere personeelsleden zich ’s ochtends hadden ziek gemeld (de meesten hadden kleine kinderen en als die ziek waren, moesten deze jonge moeders uit noodzaak zich ook ziek melden). Ik vertikte het om andere personeelsleden op te roepen, omdat anders steeds dezelfde mensen moesten opdraaien voor de afwezigheid van anderen. Er was alleen een verpleegster van 69 jaar oud, die in dienst bleef omdat er geen vervanger te vinden was, en ikzelf. Samen besloten we de meisjes te laten slapen totdat de eerste leraressen zouden komen. Die zouden dan samen met ons in de leefgroepen blijven. Na de middag kwam dan de volgende ploeg opvoedsters opdraven. Die ervaring was voor mij de prikkel om in Amsterdam te solliciteren naar een nieuwe baan. Toen dat lukte, heb ik op mijn beurt mijn recuperatiedagen opgenomen. Dat benadeelde niemand omdat de staf weer volledig was en onmiddellijk een nieuwe directeur werd aangesteld. Deze directeur had na korte tijd tweemaal meer personeelsleden dan in mijn tijd. Dit laatste had hij in zekere zin aan mij te danken.

Over de behandelingsmethode die ik in het Rijksopvoedingsgesticht te Brugge heb ingevoerd, heb ik mijn proefschrift geschreven. Dit proefschrift is in boekvorm verwerkt: ’Meisjes zonder kansen? Opvoeding van meisjes in ernstige probleemsituaties’ (Rotterdam: Lemniscaat, 1980).

Het zou natuurlijk zeer interessant zijn te weten te komen hoe het verder met deze meisjes is vergaan. Het is echter niet verantwoord om te proberen hen op te zoeken, omdat de gevolgen van het oprakelen van hun kinderbeschermingsverleden onvoorspelbaar zijn. Het waren kwetsbare meisjes en in mijn proefschrift had ik aangetoond dat de residentiële behandeling niet leidde tot echte persoonlijkheidsveranderingen. Van een steekproef van tien meisjes die in 1974 geplaatst werden in het rijksopvoedingsgesticht en die op het moment van het schrijven van deze rubriek 57 of 58 jaar oud zijn, heb ik er drie via google kunnen traceren.

Een van hen had een contactadvertentie geplaatst op zoek naar een relatie. Onder hobby’s had ze ingevuld: ’Ik val op mannen’. Ik herinnerde mij haar nog goed, omdat zij een geval was van extreme pedagogische verwaarlozing. Toen ze werd opgenomen op 17-jarige leeftijd, kon ze niet met mes en vork eten. Ze pakte het eten met de handen en slokte het naar binnen. Ook had ze geen enkele zelfbeheersing. Als ze moest plassen, dan moest dat onmiddellijk gebeuren. In de gangen van de instelling of zelfs op wandel in de stad, trok ze haar broek naar beneden en ging gehurkt zitten plassen. Als ze mij wilde zien, dan moest dat direct. Toen ik eens afwezig was, sloeg ze in razernij drie deuren kapot en kon slechts door de mannen van de administratie tegengehouden worden, anders was zij mijn privé woning binnengedrongen. Mijn vrouw die met drie kleine kinderen thuis zat, was hevig geschrokken van het getier van dit meisje en van het gestamp op de deur van mijn kantoor dat grensde aan onze woonkamer. Toen ze 35 jaar oud was, werd zij veroordeeld tot 12 jaar gevangenisstraf wegens moord, samen met haar vriend, van een bejaarde man die ze wilden beroven.

Een tweede werkte al twintig jaar als schoonmaakster in een ziekenhuis. Volgens haar Facebookpagina ging het goed met haar. Ze had veel vrienden en er waren leuke vakantiekiekjes te zien. Dit meisje was een van de weinigen die uit een middenklasse milieu kwam. Haar moeder was ambtenaar geweest in Hongarije en was na de opstand in 1956 naar België gevlucht, waar ze helaas een marginaal leven leidde.

De laatste was drie jaar geleden overleden. Ik vond van haar een overlijdensbericht op een blog van een inloopcentrum voor mensen in nood. Ze moest al heel lang daar hulp hebben gezocht, want er werd gemeld dat zij 28 jaar vaste klant was geweest. Er stond ook een foto van haar bij: een heel dikke vrouw die er uitzag als een dompelaarster.

Hierna zal ik drie casussen bespreken.  

Zoals eerder gemeld zijn de dossiers zorgvuldig geanonimiseerd. Namen zijn gewijzigd, geboortedata een aantal weken verschoven, kleine gemeenten vervangen door een buurgemeente als plaats van geboorte.

De drie casussen:

De casussen uit de jaren 1950-1964 (LINK)


Introductie

Homepage

© Juliaan Van Acker 2017