http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

nonkel Charel

Vooraleer het wegzinkt in de vergetelheid wil ik het hier even hebben over mijn nonkel Charel. Hij was mijn lievelingsnonkel. Straks zal ik uitleggen waarom.

Nonkel Charel werd geboren op het einde van de 19de eeuw en overleed in 1964. Hij was getrouwd met tante Godelieve en zij hadden geen kinderen. Hun huis ademde de sfeer van de 19de eeuw.

Nonkel Charel bezat vijf huizen en hij verhuurde vijftien autostaanplaatsen in een garage. Hij had een kleine melkhandel, die zich beperkte tot een melkronde ’s ochtends bij enkele vaste klanten en overdag had hij een winkel waar alleen melk werd verkocht. Zijn huis was een oude stadsboerderij, binnen de vesting van de stad Brugge. In dat huis was eeuwen geleden het klooster van de Grauwzusters gevestigd. Er was een tuin met een kersenboom, een vijftal perenbomen, een serre waarin druiven en tomaten werden gekweekt en ook een kippenhok. In die tuin had nonkel Charel een Mariagrot gebouwd, want hij was een godvruchtig man. 

Nonkel Charel heeft in zijn leven weinig gewerkt. Dat hoefde ook niet want hij was nagenoeg volledig zelfvoorzienend en elk cent die naar buiten ging werd tien keer omgedraaid. Hij verzorgde ook de tuin bij mijn grootmoeder. Deze tuin was heel groot, zodat de gehele familie van groenten en fruit voorzien kon worden. In de herfst hadden we zakken vol walnoten, okkernoten genoemd in het Vlaams, want mijn grootvader had zo’n boom geplant als herinnering aan zijn tijd aan het front in de Eerste Wereldoorlog. De moffen hadden namelijk alle walnotenbomen opgeëist, want dat hout was geschikt om geweerkolven van te maken.

Mijn meest dierbare herinnering heb ik aan de winteravonden die ik bij nonkel Charel doorbracht. Het licht ging pas aan als het bijna pikdonker was. Nonkel Charel lag in zijn zetel met zijn voeten op de Mechelse kachel. Ik kreeg van hem een beetje Wervikse pijptabak en met een borrel brandewijn van de Nederlandse Gist en Spiritusfabriek erbij zaten we gezellig te babbelen. Dan vertelde hij over de Eerste Wereldoorlog. Zijn moeder, tante Stefanie, was ’politieke gevangene’ geweest. Dat stond met trots vermeld op haar doodsprentje. Veel stelde dat gevangen zijn niet voor. Ze had vijf dagen in de politiecel gezeten wegens het smokkelen van enkele biggetjes. Ik heb haar nog gekend. Ze was hondegierig, maar gaf mij elke zondag een ’klutte’, dat is tien cent. Ook toen was het niets meer waard, maar dat wist zij niet. 

Het strafste verhaal van nonkel Charel ging over een van zijn smokkeltochten. Nonkel Charel was in zijn jonge jaren een oersterke vent. Toen hij tijdens de Eerste Wereldoorlog met wat smokkelwaar langs het kanaal reed, werd hij door twee zwaarbewapende Duitse soldaten tegengehouden. Nonkel Charel stapte af en toen deze soldaten dicht bij hem gingen staan, gaf hij hen een flinke duw zodat zij in het kanaal tuimelden. Met hun zware uitrusting verdronken ze onmiddellijk. Dat is vreemd genoeg nooit bekend geworden bij de Duitse bezettingsmacht. De lijken werden nooit gevonden, zodat wellicht werd gedacht dat die soldaten gedeserteerd waren.

Op een andere keer had hij in een mand achteraan op zijn fiets, enkele biggetjes meegebracht. Toen hij de brug aan de Kruispoort wilde oversteken, begonnen die biggetjes te gillen. Nonkel Charel bleef toen langzaam fietsen naast een moeder met een kinderwagen. De Duitse controleur merkte niets op.

Tijdens de oorlog werd de haven van Brugge gebombardeerd. Een obus kwam terecht in de tuin van nonkel Charel. Jarenlang stond die bom als een trofee naast de kachel. totdat iemand opmerkte dat die obus niet ontploft was. Nonkel Charel heeft hem dan ’s nachts gegooid in het kanaal tussen de Dampoort en de Kruispoort, waar hij wellicht nog ligt.

Een volgende keer zal ik misschien nog meer van die verhalen opschrijven. Nu wilde ik slechts laten weten hoe gelukkig we toen waren. Er werd bij nonkel Charel en tante Godelieve nauwelijks iets gekocht. Ze zijn nooit op reis geweest, behalve na hun trouwdag. Toen zijn zij te voet naar Blankenberge geweest. Dat is een wandeling van veertien kilometer en halverwege was de herberg ’Halfweg’, waar zij boterhammen met boerenhesp aten. Ze waren gelukkig met wat zij hadden.


HOME




   © Juliaan Van Acker 2018