Samenvatting
Als we aangepast gedrag simpelweg definiëren als goed gedrag, dan is hulpverlening vooral een kwestie van het inspireren van ouders en jongeren. Om de cliënten te helpen ongunstige invloeden van erfelijkheid, persoonlijkheid of sociale omgeving te doorbreken, is het van belang een netwerk van solidariteit te creëren dat hen motiveert voor het goede. De hulpverlener is een bemiddelaar die in kleinschalige, buurtgerichte projecten dergelijke netwerken op gang brengt.
Juliaan van Acker, emeritus hoogleraar
Dit artikel werd eerder gepubliceerd: Van Acker, J. (2004). Netwerken van solidariteit. Nederlands Tijdschrift voor Jeugdzorg, 8 (3), 160-163.
Het belang van motivatie
In de hulpverlening zullen onze inspanningen weinig resultaat opleveren zonder de motivatie en het doorzettingsvermogen van de ouders en het kind. Bij hardnekkige problemen in het gezin of in het gedrag van het kind is het echter moeilijk om de ouders en het kind te motiveren en om hen te doen volhouden. Hoe ouders motiveren die al zoveel mislukkingen gekend hebben? Hoe een kind proberen te veranderen dat gewend is met zijn moeilijk gedrag zijn zin te krijgen of voor wie dat gedrag de enige mogelijkheid biedt om enige aandacht vanuit de omgeving en status onder zijn leeftijdgenoten te verkrijgen? En hoe de omgeving van het gezin motiveren om deze mensen positief te benaderen als ze al zo lang overlast hebben bezorgd?
Met therapeutische technieken, met conditionering, met overtuigingskracht, met het geven van inzicht, met het bewust maken van onbewuste processen of met gedragsbeïnvloedingsmethoden in het algemeen kan de hulpverlener hier niet veel bereiken. Vooral niet als de problemen al lang aanslepen en als de problematische relaties binnen het gezin op zich een zeker evenwicht bieden. Mensen die gewend zijn om met elkaar ruzie te maken, kunnen op den duur niet meer zonder die dagelijkse conflicten. Op dezelfde manier kan crimineel gedrag, agressie of anderen tergend bekritiseren een automatisme geworden zijn met verslavende werking. Om deze vicieuze cirkel te doorbreken is meer nodig dan beïnvloeding van buitenaf: deze cliënten moeten op een of andere wijze ‘geraakt’ worden zodat ze echt willen veranderen. In dit artikel wordt beschreven hoe netwerken van solidariteit die rol kunnen spelen.
Keuzevrijheid speelt ook een rol
We kunnen als hulpverleners proberen zowel de biologische invloeden, de psychologische invloeden als de sociale invloeden onder controle te krijgen, om op die manier multidisciplinair en multisystemisch onze cliënten aangepast gedrag aan te leren. Maar de mens laat zich niet zomaar manipuleren. De mens is niet alleen het product van biologische, psychologische en sociale factoren. Al die factoren spelen weliswaar een grote rol, maar de mens als persoon heeft meestal het laatste woord: hij heeft op elk moment en in elke situatie de vrijheid om te beslissen hoe hij zich zal gedragen (Van Acker, 1999). Die vrijheid is soms moeilijk op te nemen, bijvoorbeeld bij een dwingende invloed van de omstandigheden . We gedragen ons vaak conform de tijdgeest. Onze geschiedenis en onze cultuur schrijven voor wat passend is. En toch is er vrijwel altijd de mogelijkheid af te wijken van wat met grote zekerheid kan worden voorspeld op grond van die geschiedenis, van die cultuur of van die en die omstandigheden.
Onder invloed van de psychologie en de sociologie zijn we geneigd bij mensen met afwijkend gedrag te zoeken naar oorzaken in zijn verleden, in zijn constitutie, in zijn karaktertrekken of in zijn sociale omgeving. Wie geweld pleegt ziet men daarom als een slachtoffer van zijn situatie. Op dezelfde manier zouden we kunnen concluderen dat een goed mens goed is omdat hij opgegroeid is in de juiste omstandigheden en omdat hij zich nu in de juiste situatie bevindt. Diezelfde mens zou bijvoorbeeld in akelige oorlogsomstandigheden, met een meedogenloze vijand, zich evengoed schuldig kunnen maken aan misdaden tegen de mensheid. In de psychologie spreken we van risicofactoren en protectieve factoren. Dat zijn factoren waarbij respectievelijk de kans op afwijkend gedrag groot of klein is. Een harmonisch gezinsleven en een goede intelligentie zijn belangrijke protectieve factoren. Voor een kind is een sterke en veilige binding met een volwassene die een goed voorbeeld is zeer belangrijk voor een geestelijk gezonde ontwikkeling.
Het beeld van de mens, als product van de omstandigheden, is slechts voor een gedeelte waar. Onder de meest risicovolle omstandigheden zijn er altijd kinderen, men spreekt meestal van 25%, die zich normaal ontwikkelen. Incest, verwaarlozing, opgroeien in een achterstandswijk of in een criminele familie leiden niet noodzakelijkerwijs tot gestoord gedrag bij het kind. Dit wijst erop dat het individu, bovenop alle erfelijke, psychologische en sociale factoren, over keuzevrijheid beschikt. We kunnen het nog sterker uitdrukken: de mens wordt pas menselijk als hij ondanks alle nare omstandigheden, vrij kiest en in die keuze zich verantwoordelijk gedraagt.
De hulpverlener manipuleert niet zomaar: hij inspireert
Om die reden is het van belang in de hulpverlening het accent te leggen op de vrije keuze van de ouders en van het kind. Als het probleemgedrag betekent dat zij zich ten aanzien van elkaar of van andere mensen onverantwoordelijk gedragen, dan is het de taak van de hulpverlener hen te helpen een andere keuze te maken. Niet door hen te manipuleren, maar door hen ervoor te ‘inspireren’. Niet uitsluitend door hun omstandigheden te verbeteren, maar vooral door hen het geloof in zichzelf te geven; geloof dat ook zij goede mensen horen te zijn, dat ook op hen een beroep wordt gedaan het goede voor de anderen te doen. In deze zin is elke mens onmisbaar en die boodschap moet de hulpverlener proberen over te brengen.
De ander inspireren is de enige mogelijkheid om die ander in vrijheid de keuze te laten maken voor het goede (verantwoordelijk gedrag, aangepast gedrag wordt hier vertaald als goed gedrag). Inspireren of bezielen is de vonk doen overslaan. De ander diep bewust maken dat de zin van zijn leven erin bestaat het goede te doen. Dat op hem persoonlijk een appel wordt gedaan het goede voor anderen te doen. Dat hij dat appel niet kan negeren.
Hoe kan de hulpverlener ouders en kinderen op die manier bezielen? Uiteraard door zijn voorbeeld. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan. Om de ander te bezielen zijn er twee wegen mogelijk:
- De hulpverlener zelf zet zich onvoorwaardelijk in voor de Ander.
- De hulpverlener mobiliseert rondom de Ander een netwerk van mensen met wie hij een band heeft en die onvoorwaardelijk met hem solidair zijn.
De eerste weg is zelden haalbaar. De hulpverlener kan niet met al zijn cliënten een onvoorwaardelijke en duurzame band aangaan. Dit zou slechts mogelijk zijn als hij werkt in een moderne vorm van communauteit waar de leden zich voor de rest van hun leven inzetten voor de hulpbehoevende mensen. Die communauteiten zijn misschien in deze tijd heel hard nodig. Ik denk bijvoorbeeld aan de recente aardbeving in Iran waar 6000 kinderen wees zijn geworden. Wie zal de volgende twintig jaar voor deze kinderen zorgen? De hulp kan hier niet beperkt blijven tot kortdurende acties die tijdelijk veel media-aandacht trekken. Hetzelfde geldt voor onderwijs en ziekenzorg in Afrikaanse landen. Ook hier zijn er mensen nodig die bereid zijn twintig of dertig jaar voor de klas te staan of in een hospitaal te werken. In onze landen zouden communauteiten een zegen kunnen zijn voor die duizenden allochtone jongeren die bij gebrek aan opleiding en door hun crimineel gedrag in de samenleving en vaak ook door hun eigen ouders worden verworpen. Deze jongeren hebben behoefte aan volwassenen die hen op passende wijze opleiden, die hen nooit laten vallen en die hen langdurig begeleiden totdat ze hun plek in de samenleving hebben gevonden.
De meeste hulpverleners zullen echter niet kiezen voor werk in communautair verband. Nochtans kan een hulpverlener anderen slechts bezielen als hij zijn eigenbelang op de achtergrond kan plaatsen. In het belang van de cliënt zal hij desnoods langer moeten werken dan de afgesproken diensttijd, zal hij meer moeten doen dan wat door een salaris wordt vergoed en zal hij CAO-afspraken ondergeschikt moeten kunnen maken aan de behoeften van de ouders en de kinderen. In deze tijd geen makkelijke opgave. We kunnen het de hulpverleners ook niet opleggen, want dan zouden misbruiken zeker voorkomen. Dat engagement moet een volledig vrije keuze blijven.
De tweede weg is die van het creëren van een netwerk van solidariteit. De hulpverlener wordt hier gezien als een bemiddelaar die in de eigen omgeving van de cliënt zoekt naar mensen met wie de cliënt een band heeft en die om hem geven. De meeste mensen zijn goede mensen en hebben het beste voor met hun naasten. In alle scholen zijn er leerkrachten die met eindeloos geduld nieuwe kansen willen geven aan kansloze kinderen. In elke buurt zijn er volwassenen die iets voor de jeugd willen doen. Overal zijn er werkgevers te vinden die jongeren die veel risico lopen een kans willen geven en hen daarbij ondersteunen en aanmoedigen. De hulpverlener moet deze mensen weten te vinden en mobiliseren in een netwerk van solidariteit rondom het gezin.
De hulpverlener als bemiddelaar
Om in de hulpverlening deze netwerken mogelijk te maken zal buurtgericht gewerkt moeten worden. Het netwerk van solidariteit moet deel uitmaken van het buurtleven. Deze mensen moeten bekend zijn en dichtbij de gezinnen en de jongeren staan voor wie de hulpverlening bestemd is. Het team van hulpverleners onderhoudt nauw contact met familieleden die een positieve rol kunnen en willen spelen in de begeleiding van de gezinnen. De hulpverleners kunnen zich het best vestigen in een schoolgebouw zodat leerkrachten makkelijk en direct contact met hen kunnen zoeken. Met allerlei bedrijven en winkels in de omgeving maken ze afspraken om jongeren aan een baantje te helpen. Deze werkgevers moeten weten dat ze altijd op het team van hulpverleners beroep kunnen doen. Voor criminele jongeren die steeds in herhaling vallen zal nauw samengewerkt worden met de buurtpolitie en met andere justitiële instanties. Alle mogelijke initiatieven in de buurt die nuttig kunnen zijn om de gezinnen en de jongeren te helpen worden vanuit het netwerk ingeschakeld. Buurtgericht werken betekent dat de instellingen voor jeugdhulpverlening kleinschalig zijn en in de wijken worden gevestigd. Vanuit deze instellingen bemiddelen de hulpverleners totdat passende netwerken worden gecreëerd.
In de jeugdhulpverlening is het meestal een groot probleem om de juiste doelgroepen te bereiken (Van Acker, 2003). Mishandelde en misbruikte kinderen worden vaak in een erg laat stadium ontdekt. Jonge delinquenten kunnen soms jarenlang hun gang gaan. Kinderen die mislukken op school en die veel spijbelen laat men vaak aan hun lot over. Het netwerk van solidariteit zal, dank zij de dagelijkse contacten met scholen, politie en veel mensen in de buurt, het mogelijk maken tijdig in te grijpen en passende acties te ondernemen.
De mensen die deel uitmaken van het netwerk van solidariteit, die voor elk gezin en elke jongere wisselend van samenstelling kan zijn, moeten goed voorbereid worden op hun taak. Na de start van een hulpverleningsprogramma moeten de deskundigen van de instelling voor jeugdhulpverlening hen superviseren en ondersteunen. Hulpverlening bij ernstige en hardnekkige psychosociale problemen moet altijd een combinatie zijn van engagement, solidariteit en gespecialiseerde behandeling. Vanuit de hulpverleningsinstelling zal het netwerk regelmatig opgeroepen worden voor supervisiebijeenkomsten en de hulpverlening zal wetenschappelijk worden geëvalueerd. Zonder evaluatie weet men nooit welke effecten precies worden behaald, wat waardevolle acties zijn en welke strategieën vermeden moeten worden. Voor de training en de begeleiding van het netwerk van solidariteit zullen de hulpverleners een handleiding opstellen. Een dergelijke handleiding was ook het resultaat van het experiment te Arnhem waar het Gezinsproject (Van Acker, 2001) gedurende drie jaar in een drietal wijken een netwerk wist te creëren waarbij scholen, buurthuizen, wijkagenten en organisaties voor allochtonen bij betrokken waren.
Wat is goed gedrag?
Tot slot nog de vraag wat we als goed gedrag moeten beschouwen. Dit is op eenvoudige wijze te beantwoorden. Ik geloof namelijk dat elke mens heel goed weet wat van hem wordt verwacht. Het probleem is echter dat we door de omstandigheden waarin we leven gek worden gemaakt om steeds meer voor ons eigenbelang op te komen (denk bijvoorbeeld aan de drang tot consumeren en om zoveel mogelijk geld te vergaren). Dat maakt ons niet gelukkig en het biedt niet de zin aan ons leven die we diep in ons hart verlangen. Deze tijdgeest belemmert veel jongeren zich een gevoel van verantwoordelijkheid voor anderen eigen te maken.
Het goede definieer ik als het opzij zetten van het eigenbelang om op te komen voor het belang van anderen (zie ook Finkielkraut, 1984). Het goede is zich ten dienste stellen van anderen, zich opofferen, alles voor een ander over hebben, om andere mensen geven niet omdat zij mij iets te bieden hebben of omdat ik een wedergunst verwacht, maar gewoon zomaar, omdat elke mens de moeite waard is. Is dit niet de enige houding waarmee een hulpverlener zijn cliënten kan inspireren voor het goede?
Literatuur
Acker, J. van (1999). Gevangen vrijheid: De mens in de ban van zijn biologie, zijn kennis en de sociale krachten. Leuven: Garant.
Acker, J. van (2001). Zorgenkinderen: Omgaan met opvoedingsproblemen. Amsterdam: Ambo.
Acker, J. van (2003). Bureau Jeugdzorg heeft visie nodig. Nederlands Tijdschrift voor Jeugdzorg, 7(3), 60-63.
Finkielkraut, A. (1984). La sagesse de l’amour. Paris : Gallimard.