http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

jeugdcriminaliteit in België: cijfers | 

Prof.dr. Juliaan van Acker, auteur van ’Een moslimvrij Europa voor wereldvrede’ (2017). Klik op afbeelding: 

DIGITAL BOOK THUMBNAIL

Nieuws uit België: criminaliteit is gedaald!

Persbericht augustus 2015: „Voor het vijfde jaar op rij is het aantal misdrijven dat door minderjarigen gepleegd werd aanzienlijk gedaald. In 2014 werden er door minderjarigen voor het hele land in totaal 58.914 misdrijven gepleegd, 29 procent minder dan in 2010, zo schrijven Het Laatste Nieuws en De Morgen woensdag.

Er is volgens de statistieken van de parketten een daling voor zowat alle vormen van criminaliteit, met de zware diefstallen, vernielingen, brandstichtingen en onopzettelijke dodingen als sterkste dalers. Ook moord en doodslag namen met bijna een kwart af. De daling is ook in alle gerechtelijke arrondissementen vast te stellen. Zelfs bij absolute koploper Brussel, goed voor 9.405 feiten, daalde de jeugdcriminaliteit met ruim 30 procent”.

Mijn commentaar: Ik werk al meer dan veertig jaar op dit terrein en weet dus dat niets onbetrouwbaarder is dan statistieken over criminaliteit. Jeugdcriminaliteit daalt niet en stijgt niet, wel de statistieken. Als de politie ziet dat er toch geen plaats is in de jeugdgevangenissen of dat er nauwelijks een vervolg komt na de aanhouding, dan wordt vaker in der minne geregeld of na een berisping wordt de jongere weggestuurd. Dat Brussel het zo goed zou doen, is een lachertje. De criminaliteit is daar de laatste jaren zo uit de hand gelopen in wijken met niet-westerse immigranten, dat er no-go areas zijn, dus daar worden geen pv’s gemaakt. In bepaalde wijken is het beter geen aangifte te doen om repressailles van de dader en zijn familie te voorkomen. Ook doen veel burgers geen aangifte omdat het toch geen zoden aan de dijk zet.

Wat de moorden betreft: als er 8 moorden gepleegd worden in plaats van 10 een jaar eerder, dan is er een daling met 20 procent. Maar goed, de criminologen hebben weer wat te doen.

Of er in een land nu veel of weinig geld wordt besteed aan jeugdbescherming en reclassering,  het maakt weinig of niets uit. Het is beter vooral aandacht te besteden aan goed en aangepast onderwijs voor risico-kinderen, zodat alle kinderen hun specifieke talenten kunnen ontplooien, en aan deskundige orthopedagogische hulpverlening in de scholen.


Jeugdcriminaliteit in België, jaar 2005

ref. Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie: Onderzoek met betrekking tot de productie en wetenschappelijke exploitatie van cijfergegevens aangaande jeugddelinquentie en jeugdbescherming (Eerste onderzoeksrapport: Analyse van de instroom op de jeugdparketten voor het jaar 2005). Brussel: Juli 2007

Deze studie werd gemaakt op basis van een uniform registratiesysteem van de jeugdparketten over het jaar 2005:

In 2005 werden 82305 protectionele zaken bij de jeugdparketten aangemeld waarbij 66342 minderjarigen tussen 12 en 18 jaar waren betrokken. Dat is per 1000 minderjarigen tussen 0 en 18 jaar gemiddeld 41,4 zaken. Er zijn grote verschillen tussen de verschillende parketten: het meest in Luik (60,3), het minst in Turnhout (22,9). De onderzoekers konden op grond van hun gegevens geen verklaringen hiervoor vinden. Er is ook een groot verschil tussen de Frantalige en de Nederlandstalige parketten, respectievelijk 48,3 en 32,3 zaken per 1000 minderjarigen werden aangemeld.

Niet alle aangemeide zaken betreffen een misdrijf, slechts 55,1 %; de rest betreft problematische opvoedingssituaties. In 2005 werden in totaal 45722 misdrijven gepleegd door minderjarigen aangemeld. 5,5 % van de minderjarigen tussen 12 en 18 jaar werden voor minstens één misdrijf aangemeld. Ook hier zijn er grote verschillen tussen de jeugdparketten, maar niet significant tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel.

Voor ongeveer 1,6% van de minderjarigen werd er in 2005 minstens één zaak in het kader van een problematische opvoedingssituatie aangemeld, dat is in totaal 37193 zaken. Merkwaardig is dat dit aantal in de Franstalige gewesten het dubbele is van het aantal in Vlaanderen. Bij deze zaken gaat het bijvoorbeeld om weglopen, onbuigzaamheid en schoolverzuim. Wellicht wordt in Vlaanderen bij deze zaken vaker beroep gedaan op het buitenrechterlijk circuit. Een andere verklaring zou kunnen zijn dat in sommige Franstalige jeugdparketten bij een problematische opvoedingssituatie alle kinderen uit het gezin worden opgeroepen. Verder zou de minder gunstige sociaal-economische situatie in Wallonië van invloed kunnen zijn (door de stress op het gezinsleven zijn er dan ook meer opvoedingsproblemen).

Wat de ernst van de criminaliteit betreft vallen de cijfers mee. 42,7% van de aangemelde misdrijven zijn vermogensmisdrijven, 17,8% misdrijven tegen personen en 14,4% verkeersmisdrijven. Verdovende middelen maken 10% van de misdrijven uit. Ernstige geweldsmisdrijven zoals moord, doodslag of poging tot moord of doodslag kwam in totaal 39 keer voor; het gaat om 0,08% van alle aangemelde misdrijven gepleegd door minderjarigen. De gemeenschappen verschillen in het aantal misdrijven gepleegd tegen personen: 15,3% voor de Franstalige jeugdparketten, 10,7% in Brussen el 8,7% voor Vlaanderen. Het is gissen naar de oorzaak hiervan (meer aangiftebereid in het Zuiden van België of sneller verwezen naar het buitengerechtelijk circuit in Vlaanderen?). De drugsmisdrijven gaan in hoofdzaak over het bezit en gebruik van softdrugs. De 10% misdrijven tegen de openbare veiligheid of de ‘urban crimes’ zoals wapendracht, bedreigingen en misdrijven tegen het gezag van de overheid komen vooral voor in de grote steden Brussel, Charleroi, Luik en Antwerpen, maar het gaat meestal om bedreigingen.


Welk profiel hebben de aangemelde minderjarigen? 76,7% zijn jongens. Meisjes zijn het sterkst vertegenwoordigd bij verkeersmisdrijven en het minst bij misdrijven tegen de openbare veiligheid en drugsmisdrijven. De piek ligt rond 16 jaar. Van de meer ernstige misdrijven nemen de jongens 90,2% voor hun rekening. Meisjes worden vooral aangemeld voor winkeldiefstal; jongens voor fiets- of motodiefstal.

Wat de problematische opvoedingssituaties betreft ligt de aanmeldingsgraad op 4,8 voor de jongens en 4,0 voor de meisjes. Meisjes worden meer aangemeld voor weglopen. Jongens meer voor onbuigzaamheid en schoolverzuim.


Mijn persoonlijke commentaar: Jeugdcriminaliteit: Een beperkt probleem

Met een halve eeuw vertraging op de andere westerse landen is in België eindelijk door het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie een statistisch onderzoeksrapport verschenen over de jeugdcriminaliteit. Het rapport heeft weliswaar een onmogelijke titel (Onderzoek met betrekking tot de productie en wetenschappelijke exploitatie van cijfergegevens aangaande jeugddelinquentie en jeugdbescherming), maar het geeft een aardig beeld van de in 2005 door minderjarigen gepleegde misdrijven. Het gaat om in totaal 45722 misdrijven, wat betekent dat 5,5% van de minderjarigen tussen 12 en 18 jaar voor minstens één misdrijf werd aangemeld bij de jeugdparketten. Er zijn volgens de onderzoekers in het algemeen geen sterke verschillen tussen Vlaanderen, Wallonië en Brussel. Tegen de verwachting in is er geen concentratie van jeugdcriminaliteit in de grote, meer verstedelijkte gerechtelijke arrondissementen.

Als we echter kijken naar de aard van de delicten, dan komen misdrijven tegen personen (zoals opzettelijke slagen en verwondingen, seksuele misdrijven) meer voor in Wallonië (15,3%) en Brussel (10,7%) dan in Vlaanderen (8,7%). Op basis van de beschikbare gegevens is het gissen naar de oorzaken. Misschien is er meer aangiftebereidheid in het Zuiden van het land omdat daar de gevoelens van onveiligheid sterker zijn. De 10% misdrijven tegen de openbare veiligheid of de ‘urban crimes’ zoals wapendracht, bedreigingen en misdrijven tegen het gezag van de overheid komen vooral voor in de grote steden Brussel, Charleroi, Luik en Antwerpen. Het gaat meestal om bedreigingen.

Niet aangehouden minderjarigen komen uiteraard niet in deze statistieken voor, maar het rapport geeft wel een beeld van de criminaliteit onder jeugdigen. De meeste misdrijven zijn kruimeldelicten, diefstallen en verkeersmisdrijven. Verdovende middelen maken 10% van de misdrijven uit. Hierbij gaat het voornamelijk om het bezit en verhandelen van softdrugs. Zeer ernstige geweldsdelicten komen zelden voor: moord of poging tot moord door een minderjarige kwam in 2005 39 keer voor, dat is 0,08% van het totaal aantal misdrijven gepleegd door jeugdigen.

Al met al biedt dit onderzoeksrapport een duidelijk bewijs dat het met de jeugdcriminaliteit best meevalt: 94,5% van de minderjarigen wordt niet aangehouden door de politie en de 5,5% die wordt aangemeld bij de jeugdparketten pleegt hoofdzakelijk kleine delicten die geen gevaar vormen voor de burgers.

Bij het profiel van de daders wordt een onderscheid gemaakt tussen jongens en meisjes. 76,7% zijn jongens. Meisjes zijn het sterkst vertegenwoordigd bij verkeersmisdrijven en het minst bij misdrijven tegen de openbare veiligheid en drugsmisdrijven. De piek ligt rond 16 jaar, daarna begint het af te nemen. Van de meer ernstige misdrijven nemen de jongens 90,2% voor hun rekening. Meisjes worden vooral aangemeld voor winkeldiefstal; jongens voor fiets- of motodiefstal.

De begrippen allochtoon of etnische achtergrond komen in het onderzoeksrapport niet voor. Dit wijst op een taboe en dat is om drie redenen jammer. Ten eerste weten we niet naar welke groepen de beleidsprioriteiten moeten uitgaan. Ten tweede kan op dit onderzoek de verdenking rusten dat het Instituut voor Criminologie niet onafhankelijk van de politiek opereert. Ten derde, en dit is gevaarlijk, is het koren op de molen van extreem-rechts die kan beweren dat de criminaliteit onder jonge allochtonen zo hoog is dat de overheid met de cijfers niet naar buiten durft te komen. Als we kijken naar Nederland, waar 17 jaar geleden dit taboe werd doorbroken, dan valt het nog redelijk mee met de criminaliteit onder allochtonen. Alhoewel sommige groepen vijf keer meer misdrijven plegen, komt 85% van bijvoorbeeld de Marokkaanse jongens niet in aanraking met de politie. De minister van justitie mag dit taboe rustig opheffen.

In het rapport wordt ook ruim aandacht besteed aan minderjarigen die omwille van problematische opvoedingssituaties (weglopen, onbuigzaamheid, schoolverzuim) bij de jeugdparketten worden aangemeld. Het gaat in totaal om 37193 zaken in 2005. Merkwaardig is dat dit aantal in de Franstalige gewesten het dubbele is van het aantal in Vlaanderen. Wellicht wordt in Vlaanderen bij deze zaken vaker beroep gedaan op het buitenrechterlijk circuit omdat dit circuit beter wordt gesubsidieerd.

Tot slot is het jammer dat het rapport niet eindigt met een aantal inhoudelijke beleidsconsequenties. Beleid inzake jeugdcriminaliteit is niet alleen een juridische en statistische kwestie. Vanuit pedagogisch oogpunt zou bijvoorbeeld gewezen kunnen worden op de noodzaak de meeste aangehouden minderjarigen buiten het rechterlijke circuit te houden. De jeugdparketten houden zich voornamelijk bezig met kattenkwaad en probleemgedrag dat vanzelf zal verdwijnen. Gerechtelijke interventies en hulpverlening voor deze jongeren is geld over de balk gooien, wat in Wallonië sterker het geval is dan in Vlaanderen. We kunnen hen beter uit deze circuits houden zodat de jeugdrechters minder belast worden en zich kunnen concentreren op de beperkte groep jonge criminelen, met groot risico op recidive, die een gevaar zijn voor de samenleving. Door een betere prioriteitenstelling in de jeugdbescherming komen financiële middelen vrij voor instellingen die ouders en leerkrachten ondersteunen in de opvoeding van jongeren die dreigen gemarginaliseerd te raken.


 


STARTPAGINA


© Juliaan Van Acker 2017