http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

jeugdcriminaliteit in Nederland: cijfers  

prof.dr. Juliaan van Acker, auteur van ’Een moslimvrij Europa voor wereldvrede’ (2017). Klik op afbeelding: 

DIGITAL BOOK THUMBNAIL

De kranten staan tegenwoordig vol met misdrijven gepleegd door kinderen van 11 of 12 jaar oud. En het gevaar moet wel heel ernstig zijn want ook op het platteland klagen de boeren over de ondeugden van hun kinderen”. Citaat uit:  ‘Génie du Christianisme’  Chateaubriand (Paris, 1802 ) 


Jeugdcriminaliteit in Nederland 2010-2014 (Centraal Bureau voor de Statistiek)

In vier jaar tijd een forse daling van de criminaliteit, behalve voor drugsmisdrijven. De meest voorkomende misdrijven zijn diefstal en vernielingen. De verhouding jongens/meisjes schommelt rond de 5/1, maar bij diefstallen is dit 3/1


Totaal aantal minderjarige verdachten van een misdrijf:

in 2010: 61090   in 2014: 38100  ( vergelijk dit met het totaal aantal geregistreerde misdrijven van zowel minderjarigen als volwassenen: in 2010: 1194275 en in 2014 1006770)

waarvan in 2010: 49045 jongens en 12010 meisjes (bij een aantal was bij de registratie het geslacht niet vermeld)

waarvan in 2014: 30870 jongens en 7205 meisjes


Verdachte minderjarigen naar soort misdrijf:

vermogensmisdrijven

2010: 28660 waarvan  21020 jongens en 7620 meisjes

2014: 19115 waarvan 14645 jongens en 4455 meisjes

vernielingen, misdrijven tegen de openbare orde en gezag

2010: 16665 waarvan 14785 jongens en 995 meisjes

2014: 7985 waarvan 6985 jongend en 995 meisjes

gewelds- en seksuele misdrijven

2010: 10810 waarvan 8870 jongens en 1935 meisjes

2014:  7060 waarvan 5735 jongens en 1320 meisjes

drugsmisdrijven

2010: 1055 waarvan 940 jongens en  115 meisjes

2014: 1145 waarvan 1045 jongens en 95 meisjes

(vuur)wapenmisdrijven

2010: 1085 waarvan 1035 jongens en 40 meisjes

2014: 970 waarvan  930 jongens en 40 meisjes


Gegevens uit 2007 (bron WODC / Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving)

- tussen 12 en 19 jaar stijgt het aantal in 2007 geregistreerde verdachten per 1000 jongeren van 5 tot 45.  Het aantal geregistreerde verdachten per 1000 jongeren ligt het hoogst bij 18, 19 en 20-jarigen (boven de 40 per 1000).

- dit aantal in 2007 ligt een stuk hoger dan in 1996: toen werden er per 1000 18-jarigen 30 geregistreerd als verdachten. Is er sprake van een echte stijging? Dit is moeilijk te beantwoorden: misschien wordt nu beter geregistreerd; of er is nu meer politie, dus ook meer aanhoudingen; of de samenleving is minder tolerant geworden en lost kleine criminaliteit niet in de minne of onder elkaar op zonder politie erbij te halen. Over het algemeen kan worden gezegd dat ernstige vormen van misdaad, zoals moord, de afgelopen veertig jaar niet zijn toegenomen.

- verdachten naar etnische achtergrond in 2007 ( 12 tot 17-jarigen) Zie meer over jeugdcriminaliteit en etniciteit 

op LINK


      # Nederlandse achtergrond:   1,8 %

      # Marokkaans                          8,4%

      # Antilliaans                             8,3%

      # Surinaams                            5,9%

      # Turks                                    4,3%

      # Oost-Europees                    4,2%


soort gepleegde delicten in 2007 door 12 tot 17 jarigen (aantal per 1000 jongeren)


zedendelicten                                0,6

bedreiging                                     2,2

geweld tegen personen                 8,0

diefstal met geweld                        2,1

eenvoudige diefstal                        4,1

diefstal onder verzwarende

omstandigheden                           10,8

tegen de openbare orde                 9,3

vernieling                                        6,4

verkeersdelicten                             1,4

drugs                                              0,7

wapens                                           0,9

=========================================================================


Analyse van vorige statistieken:

In Nederland waren er in 2004  1.194.681 jongeren tussen 12 en 17 jaar; daarvan werd tegen 49216 jongeren een proces-verbaal opgemaakt wegens een delict. Dit betekent dat 3,8 % van de jongeren in de loop van 2004 wegens een delict in aanraking kwam met de politie.

Statistiek is heel belangrijk, maar het is makkelijk om er de verkeerde conclusies uit te trekken. Hoe erg is dat nu dat er 4 op 100 jongeren jaarlijks in aanraking komen met de politie? Geldt dat ook voor jongens en meisjes? Plegen allochtonen niet meer delicten dan autochtonen?  Is er een stijging van de jeugdcriminaliteit waar te nemen? Worden de jeugdigen op steeds jongere leeftijd crimineel? Is er sprake van een verontrustende toename van geweldsdelicten? Over al dit soort vragen wil ik hier een genuanceerd en wetenschappelijk verantwoord antwoord geven.

Laat ons even een flinke stap terug in de tijd doen. In de Geïllustreerde encyclopedie van Winkler Prins uit 1907 lezen we het alarmerende bericht dat tussen 1894 en 1903 het aantal wegens overtreding veroordeelde jongens en meisjes beneden de zestien jaar met 35 procent is gestegen! Onze grootouders, overgrootouders en betovergrootouders wisten er dus ook iets van. Ook nu horen we regelmatig onheilsberichten over de stijging van de criminaliteit. Hierboven gaf ik de cijfers uit 2004. Vergelijken we deze cijfers met die uit 2002 dan is daar ook een stijging te zien; in 2004 kwam 3,8 procent van de jongeren in aanraking met de politie, en in 2002 was dit slechts 3,3 procent. Als er al meer dan honderd jaar sprake is van een gevoelige stijging van de criminaliteit dan moeten toch onderhand alle Nederlanders crimineel zijn? Raar dat dit niet het geval is: 96,3 procent van de jongeren kwam in 2004 niet in aanraking met de politie …

Die 49216 jongeren tegen wie in 2004 een proces-verbaal werd opgemaakt wegens een delict vormen de groep die betrapt werd. Dit is slechts een fractie van het werkelijke aantal jonge delinquenten want de pakkans voor een delict is slechts 15 procent en 35 procent van de delicten wordt nooit aangegeven bij de politie (de pakkans bij ernstige delicten ligt gelukkig boven de 80 procent).

Die 49216 processen-verbaal werden opgemaakt voor 71119 delicten waarvan 40 procent vermogensdelicten (bijv. winkeldiefstallen), 30 procent vernielingen of openbare orde delicten en 20 procent geweldsdelicten (bedreiging, diefstal met geweld).

De statistieken die gebaseerd zijn op geregistreerde politiegegevens laten slechts het topje van de ijsberg zien, althans wat de kleine criminaliteit betreft. Niet alle delicten worden aangegeven bij de politie. De meest recente gegevens vinden we bij Wittebrood (2006) die het volgende concludeert:

"De door de politie geregistreerde criminaliteit is het resultaat van de criminaliteit die in ons land plaatsvindt, de mate waarin deze bij de politie wordt gemeld en de mate waarin officiële aangiften worden opgemaakt. De geregistreerde criminaliteit is de afgelopen 25 jaar behoorlijk gestegen. In 1980 was het aantal door de politie geregistreerde delicten ruim 700.000 en dat nam gestaag toe tot 1,3 miljoen in 2004: bijna een verdubbeling. Deze stijging blijkt voor bijna driekwart te worden veroorzaakt doordat de politie van steeds meer gemelde delicten een proces-verbaal opmaakt, voor een kwart doordat delicten vaker bij de politie worden gemeld en ‘slechts’ voor 1% door een toename in de kans dat burgers slachtoffer worden van criminaliteit. Nadat een officiële aangifte is opgemaakt van een delict, kunnen de opsporings- en vervolgingsactiviteiten in gang worden gezet. De kans dat een geregistreerd delict wordt opgehelderd (d.w.z. dat er een verdachte is) is de afgelopen 25 jaar sterk afgenomen, maar sinds 2000 is deze kans weer gestegen. In 2004 werden 21% van alle delicten opgehelderd. Ook zijn de afgelopen 25 jaar door het openbaar ministerie steeds meer zaken doorgestuurd naar de rechtbank. Over de hele linie komen slachtoffers van criminaliteit dus steeds verder in de ‘strafrechtelijke’ keten”.

Een andere mogelijkheid om meer duidelijkheid te krijgen over de werkelijke criminalitiet is het zogenaamde ‘Zelfrapportage-onderzoek’: hierbij wordt aan een grote, representatieve groep van jongens en meisjes gevraagd een anonieme vragenlijst in te vullen waarop ze kunnen aangeven of ze het afgelopen jaar een delict hebben gepleegd. Er wordt hen bijvoorbeeld gevraagd of ze expres een auto hebben beschadigd, of ze in een winkel prijsjes hebben verwisseld om iets voor minder geld mee te kunnen nemen (ik breng u toch niet op gedachten, hé?), of ze iemand expres zo geslagen en/of geschopt hebben dat de persoon verwond is geraakt, enzovoort.

Dit zelfrapportage-onderzoek heeft ook z’n nadelen. Het is aangetoond dat allochtonen minder snel geneigd zijn toe te geven een delict te hebben gepleegd (er zijn van die heel politiek correcte, maar naïeve onderzoekers die uit zelfrapportage-onderzoek afleiden dat allochtonen niet meer delicten plegen dan Europese jongeren), jongeren zullen ernstige misdrijven minder makkelijk toegeven, anderen zullen overdrijven om stoer te willen doen. Toch zegt dit onderzoek iets over de niet ontdekte delicten gepleegd door jeugdigen. In het WODC-onderzoek onder 1460 jongeren in de leeftijd van 10 tot en met 17 jaar komt naar voren dat 25,8 procent aangeeft in de afgelopen twaalf maanden één van de onderzochte delicten te hebben gepleegd. De vijf meest voorkomende zelfgerapporteerde delicten zijn het bekladden van objecten (10,5 procent), iemand opzettelijk verwonden door te slaan of te schoppen (8,9 procent - aardige voorbeelden hiervan zijn te zien op www.youtube.com onder het trefwoord 'street fighting'), iets meenemen uit een winkel zonder te betalen of na prijsjes wisselen en iets stelen dat goedkoper of gelijk aan tien euro kostte (5,7 procent) en iets kopen dat was gestolen (5,6 procent).

Dit zelfrapportage-onderzoek kan ons echter ook op het verkeerde been zetten. In mijn boek over jeugdcriminaliteit uit 1998 heb ik het WODC al bekritiseerd omdat dit onderzoek de aandacht afleidt van de echte problematiek van de jeugdcriminaliteit. Die 25,8 procent waarvan hier sprake is haalt voornamelijk kattenkwaad uit en hun ‘delictgedrag’ is van voorbijgaande aard. Van 100 jongeren die door de politie worden betrapt zullen 97 vanzelf stoppen na één of enkele delicten. Het is beter onze aandacht, het onderzoek en het beleid te richten op die drie procent die aan het begin van een criminele carrière staat en die steeds gewelddadiger wordt. Uit het door de politie geregistreerde aantal delicten gepleegd door minderjarigen blijkt dat 1/3 der verdachten verantwoordelijk is voor de helft van de delicten. We moeten daarom de aandacht vooral richten op hardnekkige recidivisten.

Naast de gegevens van de geregistreerde misdrijven en het zelfrapportage-onderzoek is ook nog slachtofferonderzoek mogelijk, maar dat zegt weinig specifieks over jeugdcriminaliteit. De meest recente gegevens over slachtoffer-onderzoek in Nederland vinden we in: Wittebrood, K. (2006). Slachtoffers van criminaliteit: Feiten en achtergronden. De Haag: SCP.

Slachtofferonderzoek is niet specifiek gericht op jeugddelinquentie omdat bij de meeste delicten er geen confrontatie is met de daders. Dit onderzoek geeft echter een prima beeld van de mate waarin criminaliteit een ernstig maatschappelijk probleem is (dus niet), van een mogelijke stijging van de criminaliteit (ook niet) en van wie meest kans loopt slachtoffer te zijn van misdrijven (diegenen die zelf dader zijn geweest). Alle reden dus om dieper in te gaan op de belangrijke studie van Karin Wittebrood, waarvan we de voor onze discussie belangrijkste conclusies hieronder weergeven.

In 2004 zijn 3,4 miljoen Nederlandse burgers het slachtoffer geworden van criminaliteit. Deze slachtoffers hadden gezamenlijk te maken met 4,7 miljoen delicten. Ongeveer een derde van deze delicten is bij de politie gemeld. Van 80% van deze delicten is vervolgens een proces-verbaal opgemaakt. Van diefstallen wordt relatief vaak officieel aangifte gedaan, terwijl dat voor geweld en vernielingen relatief weinig is. De politie heeft in 2004 ruim 1 miljoen processen-verbaal opgemaakt waarbij een natuurlijk persoon als slachtoffer was betrokken. In 14 % hiervan is een verdachte aangehouden of direct naar het Openbaar Ministerie (O.M.) gestuurd. In deze fase van het strafrechtelijke traject is dus veel ‘uitval’.

Van 129.000 slachtoffers komt ‘hun’ zaak uiteindelijk bij het O.M. terecht voor vervolging en voor 65% van hen komt het tot een rechtszitting. De mate waarin burgers de verschillende onderscheiden stappen bereiken, varieert tussen typen delicten. Zo komen slachtoffers van geweld – wanneer eenmaal een officiële aangifte is opgemaakt – gemiddeld verder in de strafrechtelijke keten dan slachtoffers van diefstal en vernieling.

Het aantal delicten dat jaarlijks in Nederland plaatsvindt onder burgers is de afgelopen 25 jaar toegenomen van ongeveer 4 miljoen tot ruim 4,7 miljoen in 2004. Wanneer we rekening houden met de gestegen bevolkingsomvang, blijkt dat de feitelijke criminaliteit (en dus de kans op slachtofferschap) nauwelijks is gestegen sinds 1980.

Geweld komt de laatste jaren iets vaker voor en is nu op ongeveer hetzelfde niveau als halverwege de jaren tachtig van de vorige eeuw. Diefstallen namen vooral in de jaren tachtig en negentig toe, maar laten sinds 1995 een daling zien. Deze daling is vooral te danken aan het teruglopen van het aantal inbraken.

Het aantal vernielingen nam in de jaren tachtig af, maar laat sinds begin jaren negentig een duidelijke stijging zien die vooral veroorzaakt wordt door meer beschadigingen aan auto’s. De meeste slachtoffers krijgen te maken met diefstallen en vernielingen, maar ook geweld komt regelmatig voor. In 2004 vonden per 1000 inwoners 74 gewelddelicten plaats, 135 diefstaldelicten en 141 vernielingen. Grote verschillen bestaan er in de ernst van de ondervonden delicten. Bij het merendeel van de criminaliteit is nauwelijks sprake van lichamelijk letsel of materiële schade en zijn de delicten vooral ‘lastig’ voor de betrokkenen. Toch zijn er jaarlijks enkele honderdduizenden Nederlanders het slachtoffer van criminaliteit die niet alleen maar lastig is, maar die ook ernstige lichamelijke of financiële gevolgen heeft.

Leeftijd, geslacht, etniciteit en huishoudensinkomen blijken belangrijke individuele voorspellers van de kans om slachtoffer van criminaliteit te worden. Het hebben van bepaalde demografische en sociale kenmerken heeft uiteraard niet direct invloed op de kans op slachtofferschap. Deze verschillen kunnen vooral worden verklaard doordat sociale groepen uiteenlopen in hun leefstijl en routine activiteiten. Met name mensen die regelmatig deelnemen aan publieke activiteiten hebben een verhoogde kans om slachtoffer te worden, maar ook beroepsgroepen die in de (semi-)publieke ruimte werken en daarbij veel in de nabijheid van andere mensen verkeren, hebben een verhoogde kans. Het nemen van maatregelen waardoor doelwitten beter beschermd zijn, verkleint juist de kans om slachtoffer te worden.

Delinquent gedrag kan worden gezien als een ‘risicovolle’ leefstijl of routineactiviteit en vergroot eveneens de kans op slachtofferschap. Tot slot is slachtofferschap zelf een belangrijke voorspeller voor later slachtofferschap. Ook hierbij geldt dat dit vooral wordt veroorzaakt doordat ‘herhaalde’ slachtoffers er een ‘risicovolle’ leefstijl op na houden, waardoor zij een verhoogde kans hebben om opnieuw slachtoffer te worden.

Niet alleen individuele kenmerken zijn relevant om slachtofferschap te verklaren, ook de sociale context waarin mensen leven. Zo blijkt de kans op slachtofferschap aanzienlijk te verschillen tussen buurten en tussen landen. Bij het verklaren van deze verschillen wordt – in aanvulling op de gelegenheidstheorie – veelal gebruikgemaakt van de socialedesorganisatietheorie, die er kort op neer komt dat naarmate een gebied meer sociaal gedesorganiseerd is, er ook meer criminaliteit voorkomt.

De sociaaleconomische status, etnische heterogeniteit en residentiele mobiliteit van een buurt blijken belangrijke voorspellers van de kans op slachtofferschap, maar zeggen vooral iets over de informele sociale controle in een buurt. Verschillen in sociale controle blijken ook in belangrijk mate een verklaring te kunnen bieden voor de variatie in het criminaliteitsniveau tussen landen.


Uit ander slachtofferonderzoek komt het volgende beeld naar voren:

Het blijkt dat jeugdigen vaker dan volwassenen het slachtoffer zijn van misdrijven, vooral meisjes (52 procent van de meisjes tegenover 36 procent van de jongens zegt ooit slachtoffer geweest te zijn van een misdrijf). Minderjarigen geven het ook zelden aan.

68 procent van de jonge vrouwen zegt slachtoffer geweest te zijn van seksuele intimidatie. Uit een Brits onderzoek blijkt dat 1/3 van de 12- tot 15-jarigen aangevallen is geweest, 1/5 bestolen, 1/5 lastig gevallen door een leeftijdgenoot em 1/5 lastig gevallen door een volwassene. Dit zijn veel hogere cijfers dan bij volwassenen.

Jonge mannen tussen 16 en 24 jaar lopen het meest risico slachtoffer te worden van een misdrijf.

Pesten en racisme is dagelijkse kost voor allochtone jongeren; zij zijn ook vaker het slachtoffer van misdrijven.


De spreiding van het delinquent gedrag

– Er zijn in 2002 190.000 (unieke) verdachten bij de politie geregistreerd. Deze verdachten vormen 1,4% van de Nederlandse bevolking van 12-79 jaar.

- Voor vermogensmisdrijven zoals diefstal en inbraak zijn in 2003 per 10 duizend inwoners 97 verdachten gehoord. Voor geweldsmisdrijven is dit cijfer 53 en voor vernielingen 40.

Per 10 duizend minderjarige mannen kwamen er 766 als verdachte van een van deze drie misdrijven in aanraking met de politie. Hun relatieve aandeel is in alle misdrijfcategorieën het hoogst. Per 10 duizend inwoners van 12–17 jaar kwamen 341 jongens in 2003 met de politie in aanraking wegens vermogensmisdrijven. De overeenkomstige cijfers voor vernielingen en geweldsmisdrijven zijn 260 en 166.

– Van alle verdachten komt 24% voor in de categorie 18-24 jaar. Het vaakst verdacht zijn 18-jarigen: 4 van de 100 inwoners van die leeftijd.

– Van alle verdachten is 15% vrouw.

Het meeste processen-verbaal worden opgemaakt tegen 17-18 jarigen: 6 procent van hen kreeg een p-v in 2004.

Delinquent gedrag komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes: in 2004 werd 6,5 procent van de jongens van een delict verdacht tegenover 1,6 procent van de meisjes.

In de grote steden werd 7,5 procent van de jongeren verdacht tegenover 2,6 procent in de kleine gemeenten. De meest geverbaliseerde jongeren kwamen uit Schiedam, Rotterdam, Dordrecht en Utrecht.


Criminaliteit onder allochtonen

Over de spreiding over de etnische groepen is het moeilijk precieze gegevens te vinden. Onderzoeksresultaten verschillen omdat in het ene onderzoek allochtonen die hier geboren zijn niet als allochtoon worden geregistreerd en in andere onderzoeken wel. Er is onderzoek waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen eerste generatie en tweede generatie allochtonen. Hieruit blijkt het volgende:

- Het aantal verdachten per 100 autochtone 12- tot 17-jarigen is 1,3 (dit is een onderzoek over het jaar 2002). Onder allochtone jongeren is het aantal verdachten per 100 leeftijdgenoten bijna drie keer zo groot (3,3 verdachten per 100 leeftijdgenoten).

- In de leeftijdscategorie 15–24 jaar zitten 72 in Nederland geboren jongeren per 100 duizend inwoners in de gevangenis. Bij de in het buitenland geboren 15–24-j arigen zijn dat 702  jongeren per 100 duizend inwoners. Bij personen geboren op de Nederlandse Antillen en Aruba liggen deze aantallen nog hoger: bijna 1700 per 100 duizend. Op afstand volgen de  jongeren met Marokko, Suriname en Turkije als geboorteland.

- Vervolgens zijn er verschillen tussen de eerste en de tweede generatie allochtonen. A.Th.J. Eggen, A.M. van der Laan, B.J.M. Engelhard, M. Blom, A.P.A. Broeders en S. Bogaerts (2005). Criminaliteit en opsporing. In A.Th.J. Eggen en W. van der Heide (red.) Criminaliteit en rechtshandhaving 2004: Ontwikkelingen en samenhangen (pp. 89-128) komen tot de volgende conclusies:

. De verdachtenpercentages van de tweede generatie van Marokkanen en Turken liggen hoger dan die van de eerste generatie ( in een ander onderzoek werd echter het omgekeerde aangetoond: De eerste generatie allochtone jongeren wordt iets vaker als verdachte geregistreerd dan de tweede generatie (4,0 tegenover 3,4 verdachten per 100 leeftijdgenoten).

. Het hoogste verdachtenpercentage (7,1%) heeft de groep mannelijke niet-westerse allochtone verdachten van de tweede generatie.

. Bij nagenoeg alle herkomstgroepen zijn de verdachtenpercentages van allochtonen met twee allochtone ouders hoger dan die van allochtonen met één allochtone ouder.

.  Gerelateerd aan de omvang van de betreffende bevolkingsgroep zijn Antillianen of Arubanen met 5,6 per 100 inwoners sterk vertegenwoordigd. Van de in Nederland wonende jongeren die op de Nederlandse Antilliaanse of Aruba geboren zijn, werd 9,6 % in 2002 door de politie als verdachte geregistreerd. Van de in Marokko geboren jongeren werd 7,0 % in 2002 door de politie als verdachte geregistreerd. Aangezien allochtone meisjes nauwelijks delicten plegen, kunnen we stellen dat 14 % van de in Marokko geboren jongens in 2002 van een misdrijf werd verdacht (waarbij we nog moeten bedenken dat slechts 15 % van de misdrijven worden opgelost).

. Van de tweede generatie allochtonen uit de vier grote etnische bevolkingsgroepen, werden jongeren afkomstig uit Marokko in 2004 het vaakst (6,5 verdachten per 100 leeftijdgenoten) en jongeren uit Turkije het minst vaak (2,9 per 100 leeftijdgenoten) als verdachte geregistreerd.


Het Sociaal en Cultureel Planbureau in den Haag laat geen twijfel bestaan over de te verwachten stijging van de jeugdcriminaliteit ten gevolge van een gebrekkige integratie van allochtone jongeren uit bepaalde etnische groepen. Het SCP komt tot de volgende conclusie ( in: VEILIGHEID, POLITIE EN JUSTITIE hfd 10 In het zicht van de toekomst : Sociaal en Cultureel Rapport 2004 SCP den Haag, pp. 459-497):

Een beperkte integratie en een marginale positie in de Nederlandse samenleving moeten als belangrijke oorzaken van de criminaliteit worden gezien. Afhankelijk van de specifieke migratieachtergronden zal de integratie van verschillende groepen migranten ook in de toekomst een meer of minder moeizaam verloop hebben. Een knelpunt en een belemmering voor integratie is het vaak onduidelijke toekomstperspectief van migranten.

Ongeveer 10% van de Nederlandse bevolking is nu als allochtoon te beschouwen. De Surinamers, Turken en Marokkanen maken elk bijna 2% van de bevolking uit, de Antillianen bijna 1%. Deze landelijke gegevens gaan echter voorbij aan de ongelijke spreiding. De allochtone bevolking woont vooral in de grote steden en vormt daar gemiddeld 35% tot 40% van de bevolking. Problemen rond integratie zijn dan ook sterk in de steden geconcentreerd en daarbinnen in de minder aantrekkelijke wijken waar de bevolking verhoudingsgewijs arm is.

De komende jaren zal het aandeel niet-westerse allochtonen in de jonge leeftijdsgroep sterk toenemen. 

Tegelijkertijd dienen nieuwe etnische groepen zich aan.  Een overzicht van onderzoek (Junger et al. 2001) laat zien dat vrijwel alle studies een zorgwekkend beeld bieden van de omvang van de allochtone jeugdcriminaliteit. Het Herkenningsdienstsysteem (HKS) van het Korps landelijke politiediensten maakt het beter dan voorheen mogelijk inzicht te verkrijgen in de kenmerken van verdachten tegen wie proces-verbaal is opgemaakt. Uit dit systeem blijkt dat het aandeel verdachten dat niet in Nederland is geboren en/of niet de Nederlandse nationaliteit heeft, de laatste jaren sterk is toegenomen. In 2001 gold dit voor ruim een derde van de verdachten (Van Tilburg et al. 2003). De groepen allochtone verdachten zijn oververtegenwoordigd onder de veelplegers, verdachten en daders die herhaaldelijk delicten plegen. Antillianen zijn het sterkst oververtegenwoordigd, ruim zes keer. Het aandeel van de ‘traditionele’ groepen – Turken, Marokkanen, Surinamers – loopt verhoudingsgewijs terug. Deze daling zal echter voor een belangrijk deel voortkomen uit het feit dat de in Nederland geboren allochtone jongeren niet als zodanig worden onderscheiden; zij worden meegeteld in de Nederlandse verdachtencijfers.

Kromhout en Van San (2003) hebben onderzoek gedaan naar de criminaliteit onder jongeren uit de nieuwe etnische groepen in Nederland. Jongeren uit de voormalige Sovjet-Unie, Kongo, Siërra Leone, Angola, Somalië, Soedan, voormalig Joegoslavië, Ethiopië en Eritrea, Iran en Irak zijn in de verdachtencijfers ruim oververtegenwoordigd. Het percentage 12-24-jarige verdachten uit deze landen lag tussen ruim twee- tot bijna vijfmaal zo hoog als gemiddeld. Zo’n 10% van de in Nederland wonende jongeren uit de voormalige Sovjet-Unie blijkt in het systeem geregistreerd te staan. Alleen het aandeel jonge Chinese en Afghaanse verdachten lag rond het gemiddelde. 


Geweldsdelicten: hoe veilig kunnen we ons voelen?

In mijn boek over jeugdcriminaliteit heb ik een grondige analyse gemaakt van de statistische gegevens om helder te maken hoe ernstig we de jeugdcriminaliteit moeten nemen. Het werd mij algauw duidelijk dat we ons over de criminaliteit onder jeugdigen niet al te veel zorgen hoeven te maken. In bijna 70 procent van de gevallen gaat het over vermogensdelicten, slechts in 6 procent van de gevallen gaat het om geweld tegen personen en bij 1 procent om seksuele misdrijven. Als we de geweldsdelicten verder onderzoeken dan blijkt dat het vooral gaat om onderlinge vechtpartijen en andere lichtere vormen van geweld. De kans dat een gewone burger het slachtoffer wordt van een geweldsmisdrijf is verwaarloosbaar klein! De slachtoffers van geweld zijn vaak op een ander moment zelf plegers van geweldsmisdrijven.

Het grote aantal vermogensdelicten en delicten zoals vandalisme en verstoringen van de openbare orde zijn natuurlijk heel lastig voor onder meer de middenstanders en het kost verschrikkelijk veel geld aan de gemeenten. De jeugdigen tussen 12 en 24 jaar nemen 1/3 van alle misdrijven voor hun rekening (in 2003 werden in Nederland 158270 verdachten aangehouden, waarvan 1/3 jonger was dan 24 jaar). Daarom moet de aandacht van het beleid vooral gericht worden op preventie van diefstallen en vandalisme, en we moeten vermijden dat door een ‘harde’ aanpak te veel jongeren onnodig in de zeer dure gesloten instellingen worden geplaatst. Preventie is een zaak van scholen, wijkagenten en alle volwassen in de eigen omgeving van de jongeren die zich met hen betrokken voelen. Hier moet de jeugdzorg zich niet al te veel mee bemoeien. Mijn voorstel is om de jeugdzorg vooral te richten op de kleine groep jongeren die zullen recidiveren en aan het begin staan van een criminele carrière. Die laatste groep is al te identificeren vóór de leeftijd van tien jaar en behoeft een intensieve, comprehensieve en langdurige behandeling, maar daarover later meer.

Ook in internationaal onderzoek wordt aangetoond dat er nauwelijks sprake is van een stijging van het aantal zware geweldsdelicten zoals moord. De gevoelens van onveiligheid onder de burgers worden vooral aangewakkerd door de berichtgeving: geweld tegen personen bedraagt slechts 6 procent van de criminaliteit, maar 64,5 procent van de misdaadverslaggeving gaat over dit soort geweld. Wat artikels over de jeugd betreft: ook hier gaat 34,9 procent van de krantenartikels over de relatie tussen jeugd en misdaad en slechts 2 procent over bijvoorbeeld jeugdwerkloosheid, terwijl dit laatste juist wel een groot probleem is.

De media-aandacht voor geweldsmisdrijven is entertainment. Soms neemt dit hysterische vormen aan zoals in de Bulgur-affaire in het laatste decennium van de vorige eeuw in het Verenigd Koninkrijk. Twee jongens van tien jaar hadden een kleuter op wrede wijze vermoord. Deze affaire werd een icoon van wat er met de jeugd mis kon gaan, terwijl een moord van een kind door kinderen in 250 jaar slechts 25 keer was voorgevallen in het Verenigd Koninkrijk. Door deze hysterie zag de politiek zich verplicht de wet aan te passen, met als het gevolg dat in het Verenigd Koninkrijk het aantal jongeren in de gevangenis tussen 1993 en 2002 steeg van 5300 tot 8500. Aangezien een jongere in de jeugdgevangenis ongeveer 7000 euro per maand kost, gaat een flinke hap van het budget naar 'behandelingen' met weinig effect of met een nadelig effect en dat gaat ten koste van andere meer efficiënte programma’s.

Op basis van slachtofferonderszoek concludeert Wittebrood (o.c) het volgende met betrekking tot de angst die onder de bevolking heerst voor criminelen: " De beleving van criminaliteit behelst vele aspecten. Het gaat om de angst slachtoffer te worden, maar ook de inschatting van de kans op slachtofferschap, bezorgdheid over de wijze waarop de criminaliteit zich ontwikkelt en een meer algemeen gevoel van angst en onbehagen worden vaak tot de onveiligheidsbeleving gerekend. In 2004 gaf bijna een kwart van de Nederlandse bevolking aan zich wel eens onveilig te voelen. Deze gevoelens zijn de afgelopen jaren nauwelijks veranderd. Overdag voelen mensen zich in hun eigen huis en buurt het meest veilig; het minst veilig voelen ze zich in de omgeving van rondhangende jongeren. Ongeacht de plek voelen mensen zich in elke situatie ’s avonds onveiliger dan overdag. Over de afgelopen 25 jaar blijken bepaalde aspecten van onveiligheidsbeleving toe te nemen, terwijl andere afnemen. Bepaalde groepen in de samenleving – vrouwen, ouderen en mensen uit lagere sociaaleconomische klassen – voelen zich angstiger. Ook slachtoffers voelen zich vaak onveiliger dan niet-slachtoffers. Dat deze groepen zich angstiger voelen komt vooral doordat zij hun kwetsbaarheid en risico’s hoger inschatten. Daarnaast lijkt de omgeving waar mensen wonen relevant te zijn: in buurten met een lage sociaaleconomische status, veel niet-westerse allochtonen en veel verloedering en overlast is de onveiligheidsbeleving hoger. Ook tussen landen zijn varieert de onveiligheidsbeleving aanzienlijk”.

Als de burger zich wil veilig voelen, dan is mijn advies geen kranten te lezen en geen tv-reportages over criminelen te bekijken. De kans dat hij zelf getuige of slachtoffer is van een geweldsdelict is vrijwel nihil. Wie zich wel zorgen moet maken zijn onze zuigelingen: de groep die het grootste risico loopt om vermoord te worden zijn zuigelingen jonger dan 1 jaar; het gezin is de gevaarlijkste plek in een mensenleven! Maar ook dit moet je met een grote korrel zout nemen ...


Bibliografie

Acker, J. Van (1998). Jeugdcriminaliteit: Feiten en mythen over een beperkt probleem. Houten: Bohn Stafleu Van Loghum.

Blom, M., van der Laan, A.M., & Huijbregts, G.L.A.M. (2005). Monitor Jeugd terecht 2005 (Cahier 2005-17). Den Haag: WODC.

A.Th.J. Eggen en W. van der Heide (2005). Criminaliteit en rechtshandhaving 2004: Ontwikkelingen en samenhangen. Den Haag: WODC. 

Wittebrood, K. (2006). Slachtoffers van criminaliteit: Feiten en achtergronden. De Haag: SC



© Juliaan Van Acker 2017