http://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Orthopedagogiek: repressie tegenover zorg?

Orthopedagogiek les 5: ’Repressie en/of zorg? Hard en/of soft?’

De vraag of repressie en zorg kunnen samengaan, illustreren we eerst aan de hand van een casus. Daarna gaan we meer in het algemeen in op deze kwestie.


5.1 Casus: Een Iraakse jongen die niets meer wil

5.1.1 Zestien maanden huisarrest!

Haran is een typisch voorbeeld van een allochtone jongen uit een arm gezin, die keihard wordt aangepakt door justitie voor zes niet ernstige delicten, gepleegd in de loop van vijf jaar. Hij was 13 jaar toen hij voor het eerst in aanraking kwam met de politie. Bij de aanmelding bij ons project is hij net zeventien geworden. Voor die zes delicten in vijf jaar tijd wordt hij geprioriteerd als veelpleger en krijgt hij in totaal zestien maanden huisarrest. Dit laatste betekent dat hij alleen naar buiten mag om naar school te gaan. Een jongen van zijn leeftijd houdt dit natuurlijk niet vol, loopt tegen de lamp en wordt als straf voor een half jaar in een jeugdgevangenis geplaatst, waar hij met echte criminelen dagelijks in aanraking komt. Deze ongelukkige aanpak leidt er toe dat Haran een verbitterde jongen is geworden die vol haat zit tegenover de blanke buitenwereld. De gerechtelijke aanpak lijkt hier de omgekeerde wereld: oorspronkelijk was de kinderbescherming bedoeld om kinderen anders dan volwassenen te behandelen en ook meer nadruk te leggen op educatieve maatregelen. Deze allochtone jongen wordt veel repressiever aangepakt dan een volwassene die dezelfde overtredingen zou begaan.


5.1.2 Een zeer begane vader

Deze repressieve aanpak is des te jammer omdat het gezin goed  functioneert. De vader is een sociaal voelende man die erg gemotiveerd is om met ons mee te werken. In eerste instantie wil hij niet dat wij hulp gaan bieden in de gezinssituatie. De vader vindt dat zijn zoon te veel gecontroleerd wordt. Hij wil dat de hulp beperkt wordt tot de school, want daar liep het tot nog toe fout met Haran. De jongere zusjes van Haran doen het goed op school en met een andere broer is er niets aan de hand. Het gezin leeft van een uitkering en de vader is ziekelijk. Vader betaalt ook nog een schadevergoeding af voor Haran; dit is per maand 35 euro. 

Een probleem is wel dat vader zich vaak gedraagt als een verwend kind. Hij wil de hulpverlener dingen laten doen, die hij best zelf kan. Hij vroeg bijvoorbeeld eens op zij de intakeformulieren voor de school naar de school kon brengen. Ook worden zeer belangrijke afspraken zomaar vergeten. Het lijkt alsof hij het normaal vindt dat allerlei mensen en diensten zijn eigen verantwoordelijkheid overnemen. In Irak had hij destijds twee bedrijfjes. Nu doet hij al jaren niets meer. Terugkeer naar Irak is geen optie 'want daar zou hij geen uitkering krijgen’.

De hulpverlener bezoekt Haran een maand voordat hij vrij zal komen. Hij vraagt meteen waarom hij deze nieuwe begeleiding krijgt opgelegd en door wie. Als hij hoort dat onze hulp op vrijwillige basis plaatsvindt en dat we hem willen helpen met school, klaart hij op en geeft aan dat hij de richting Handel en Verkoop zou willen volgen. Voor die opleiding moet echter informatie opgevraagd worden bij zijn vorige school en daar is hij niet blij mee.

Bij de volgende afspraak met de vader is hij niet thuis. De moeder komt even later aanlopen en de hulpverlener heeft met haar een gesprek. De moeder volgt een cursus Nederlands en begrijpt al min of meer wat er wordt gezegd. Ook de moeder vindt dat haar zoon erg onrechtvaardig is behandeld. In de periode van het huisarrest had hij eens op straat met een vriend, met wie hij geen contact mocht hebben, staan praten. Voor die overtreding werd hij zes maanden in een jeugdgevangenis geplaatst. Met de andere kinderen gaat het goed.

Tijdens de volgende afspraak geeft de vader opnieuw aan dat hij vreest dat er weer zware controle op Haran komt. De hulpverlener stelt hem gerust en zegt eerst de intake op de nieuwe school met Haran voor te bereiden. Daarna zal zij hem bijlessen geven in de vakken waar hij moeite mee heeft. Ook wil zij hem leren hoe te reageren als verkeerde jongens met hem contact zoeken. Als er verder niet gebeurt, kan de begeleiding hiertoe worden beperkt.

Dit Iraaks-Koerdisch gezin heeft nog veel contacten met de familie in Irak. Om de twee jaar gaan zij er op vakantie. De grootmoeder is pas 61 want ze was 13 toen zij werd uitgehuwelijkt en ze werd direct zwanger. Zij heeft 12 kinderen verwekt. De meesten wonen nog in Irak. Het gezin is zeer gastvrij en de kinderen zijn netjes en beleefd opgevoed.


5.1.3 Pogingen om hem op een school te krijgen

Op grond van deze eerste contacten geef ik de hulpverlener het advies de begeleiding niet al te intensief te starten. Wellicht heeft Haran nu zijn lesje geleerd. Er zijn voldoende protectieve factoren zoals een hecht gezin en een oudere broer die het goed doet op school. Onze begeleiding kan worden voorgesteld als ‘huiswerkbegeleiding en bijlessen’. Dit biedt ook de kans om het gezin regelmatig te bezoeken zonder dat zij het gevoel hebben ‘in therapie’ te zijn. Op die manier kan er ook makkelijker een vertrouwensband met Haran ontstaan en zal hij het gevoel hebben dat de jeugdhulpverlener echt naast hem staat. 

Bij een bezoek in de jeugdgevangenis, één week voor zijn vrijlating, is Haran erg nerveus. Na twintig minuten vraagt hij het gesprek verder te zetten als hij thuis is. Hij heeft te veel aan zijn hoofd en kan zich niet concentreren. Op de vraag waar hij het zo druk mee heeft, kan hij geen antwoord geven.

In het eerste gesprek na zijn vrijlating wil de hulpverlener hem voorbereiden op het intakegesprek op school. Haran is echter totaal niet gemotiveerd. Hij houdt zijn petje op en gaat geheel onderuit zitten. Thuis heeft hij ook niets voorbereid. De hulpverlener had hem gevraagd op de website van de school informatie op te zoeken over de opleidingen. Wat hem nu tijdens het gesprek wordt gezegd lijkt niet tot hem door te dringen. Het enige positieve dat hier gezegd kan worden is dat hij, ondanks de vrijwilligheid van de hulpverlening, op zijn afspraken komt.

De school wordt een groot probleem. Op basis van de informatie die de school heeft gekregen, willen zij in feite niet met Haran in zee gaan. Er wordt een school voor speciaal onderwijs voorgesteld. Die kennen we als een goede school, waar Haran de kans zou krijgen zich goed voor te bereiden op de opleiding Handel en Verkoop. De vader en Haran willen dit echter absoluut niet. Het zal acht maanden duren vooraleer Haran uiteindelijk inziet dat er geen andere mogelijkheid is. Hij zit al die maanden gewoon te niksen, ondanks de leerplicht. De vader stuurt zijn zoon nog even naar een broer in Duitsland, maar na veertien dagen is Haran weer thuis. De reden hiervan blijft onduidelijk.


5.1.4 Alleen met vrienden rondhangen en niksen

Opvallend is dat achteraf blijkt dat tijdens de vakantie in Irak Haran hetzelfde moeilijke en ongemotiveerde gedrag vertoonde. Volgens zijn vader denkt Haran niet aan zijn familie en hij denkt ook niet na over zijn toekomst. Het was niet erg gezellig met hem. Hij had het er alleen maar over wanneer ze terug zouden gaan naar Nederland. Hij wilde gewoon terug bij zijn vrienden zijn. De vader heeft aan al jaren met de jeugdhulpverlening bezig te zijn en dat hij geen verandering ziet.  De vader heeft er geen vertrouwen meer in. Volgens hem zal Haran nooit veranderen.

Op het einde van de zomervakantie heeft de vader weer een andere oplossing gevonden: het gehele gezin zal verhuizen naar Engeland, waar een broer van vader woont. Korte tijd later blijkt dat dit plan toch niet door zal gaan. De optie om Haran naar een familielid te sturen is niet aan de orde: vroeger was dit wel mogelijk, maar nu is de familie te verwesterd.

Ondanks alle tegenstand, zowel van de vader als van Haran, wordt toch een kennismakingsgesprek georganiseerd op de school voor speciaal onderwijs. Dat verloopt goed. Haran luisterde goed en vertelde ook meer dan hij gewend was. Op het einde gaf hij aan het te willen proberen op deze school. Hij kan daar een diploma niveau 1 halen en daarna doorstromen naar het ROC. Hij kan er een stage lopen in een kledingzaak. Er volgt ook nog een intakegesprek op het ROC. Tijdens de voorbereiding op dit gesprek stelt de jeugdhulpverlener vast dat deze optie wellicht te hoog gegrepen is voor deze jongen. Hij is zwak in zijn sociale vaardigheden. Hieraan worden gewerkt tijdens dit schooljaar. Hij wordt op het ROC afgewezen.

Samen met de vader gaat de jeugdhulpverlener naar de vorige school van Haran. De vader is namelijk kwaad dat het negatieve dossier over zijn zoon overal meegaat, waardoor het zo moeilijk wordt hem ergens ingeschreven te krijgen. Deze school zegt heel positief te zijn over de vader die opkomt voor zijn kinderen, maar Haran doet niks. Zij vinden hem onhandelbaar. Met een knipoog kan hij anderen voor zich doen lopen. Hij was brutaal en hield zich niet aan afspraken. Het enige positieve was de stage die hij heeft gelopen. Het is onduidelijk waarom het daar goed liep en niet op school. Zij denken dat Haran het niet kan halen op het ROC. Voor de vader is nu duidelijk dat speciaal onderwijs de enige optie is. Haran is echter heel teleurgesteld hierover en wil nu toch niet meer naar die school. De jeugdhulpverlener kan hem toch bepraten met als argument dat als hij van deze school een goed rapport krijgt, later niemand meer zal vragen naar het dossier van de vorige school.

De jeugdhulpverlener verzet nu heel wat werk om de financiële aspecten te regelen: schoolkosten, tegemoetkoming in de studiekosten, zorgtoeslag. Samen met de vader brengt ze alle papieren in orde.

De eerste dagen op zijn nieuwe school verlopen helaas niet goed. Haran is niet gemotiveerd en doet nergens aan mee. Op verzoek van de school wordt een nieuw gesprek georganiseerd. Nu zegt Haran dat hij liever wil gaan werken. De school stelt voor gesprekstechnieken met hem te oefenen en ondertussen kan hij zich inschrijven bij diverse uitzendbureaus. De volgende weken gaat het redelijk met hem op school. Huiswerkbegeleiding volgt hij met tegenzin, maar hij maakt wel de opdrachten.


5.1.5 Opnieuw de pineut

Eind oktober is er nog een akkefietje met de politie. Hij wordt op straat door de politie opgepakt en naar de politiecel gebracht. Tien minuten later komt hij weer vrij want de politie had een verkeerde naam doorgekregen. Zijn vader belde heel emotioneel de jeugdhulpverlener op. Het gezin was er ondersteboven van. Achteraf zorgt een wijkagent ervoor dat er een gesprek komt met de vader en Haran. De politie zegt te hopen dat zij het vertrouwen in hun niet verliezen en dat ze zullen helpen waar ze kunnen. Het loopt met een sisser af.

Even later is er weer een incident. Iemand van Stadstoezicht  heeft gezien dat Haran met een paar jongens bezig was met een scooter zonder kenteken. Haran kwam toen naar hem toerijden en reed toen snel weg. Die man vindt dat Haran met de verkeerde jongens omgaat. Haran ontkent in alle toonaarden dat hij het was. Zijn vader is heel boos op Haran en is erg aangedaan. Er wordt een gesprek georganiseerd met Stadstoezicht, die dit incident buiten de politie wil houden. Haran is tevreden over dit gesprek en heeft het nummer van die man gekregen om indien nodig contact op te nemen. Drie weken later wordt Haran door Stadstoezicht opnieuw gezien op een gestolen motor. Als de jeugdhulpverlener hem hierop aanspreekt, is hij zo geïrriteerd en kwaad dat hij begint te stotteren. Hij ontkent dat het een gestolen motor is. Achteraf blijkt dat Stadstoezicht ook niet zeker wist dat het om een gestolen motor ging; het was een rode scooter en ‘er worden tegenwoordig vooral rode scooters gestolen’…


5.1.6 Een school met eindeloos geduld

Ook vanuit de school zijn er weeral klachten. Haran heeft gezegd het nog uit de zitten tot hij achttien wordt. Hij wil niet gaan werken en wil dan ook niet terug naar school. Hij wil niks. De school vindt dat Leerplichtzaken gewaarschuwd moet worden. Tegen de hulpverlener zegt hij dat hij gewoon elke dag lekker met zijn vrienden buiten wil hangen. Hij moest voor school een plan van aanpak maken, maar dat wilde hij niet. Hij wist niet eens of hij de komende maandag wel naar school zou gaan. Zijn vader snapt het niet en zegt dat als Haran niet naar school wil en niet wil gaan werken, dat hij dan het huis uit moet.

Drie dagen later is het weer anders. Als de jeugdhulpverlener samen met vader een gesprek heeft op school, zegt Haran dat hij van gedachten is veranderd. Hij wil nu graag naar school en wil tijdens die periode gaan werken zodat hij volgend jaar de andere opleiding kan starten. Voor dit laatste moet hij echter voor bepaalde vakken toetsen doen, waar hij volgens de school ‘niet voor hoeft te leren’ (?). Haran gaat met alles akkoord.

Begin januari volgt het zoveelste gesprek op school, waarbij ook de vader en de jeugdhulpverlener aanwezig is. Opnieuw gaat het over de vraag wat Haran nu eigenlijk wil. De laatste resultaten waren bar slecht; als dit zo doorgaat zal hij volgend jaar op de andere opleiding opnieuw niet aanvaard worden. De jeugdhulpverlener verzucht dat het zo jammer is dat Haran nergens voor te motiveren te krijgen is.

De maanden daarop herpakt Haran zich enigszins. Uiteindelijk behaalt hij op zijn school enkele certificaten, maar hij is veel afwezig geweest en valt vooral  op door zijn enorm gebrek aan motivatie. Hij wil gewoon niet op deze school voor speciaal onderwijs zitten. Na dit schooljaar volgt dan een intakegesprek bij het regulier onderwijs. De eerste afspraak zijn  vader en zoon glad vergeten (!). Daarna gaat een nieuwe afspraak door. De vorige school van Haran moet echter doorgeven dat hij een leerling is die nauwelijks gemotiveerd is en vaak afwezig was. De school weigert Haran. De redenen die hiervoor worden opgegeven zijn  dat Haran het cognitief niet zal halen en dat er al jaren gedragsproblemen zijn. Daarom wordt gedacht dat het niet zal lukken.

Na de afwijzing neemt de hulpverlener contact op met de school. Zij geeft aan dat zij het niet eens is met het besluit van de intakecommissie. Zij heeft het idee dat alleen maar naar oude stukken wordt gekeken en dat daarop het besluit werd genomen. Haran is al twee jaar niet meer met politie in aanraking is geweest. Hij is ouder geworden en heeft van zijn fouten geleerd. Hij is nu erg gemotiveerd voor die opleiding. LDe hulpverlener zegt ook dat met de wijkagent en straatcoach contact opgenomen kan worden want deze zijn zeer positief over hem. De hulpverlener geeft aan dat volgens haar deze jongen een kans verdient. Men zou eventueel eerst een proeftijd van bijvoorbeeld zes weken kunnen instellen en als blijkt dat het echt niet werkt dat het dan ook duidelijk is.  

Een gelijkaardige school dichter in de buurt vindt de hulpverlener geen optie. Haran heeft daar vorig jaar een intake gehad en dit was een zeer vervelend gesprek geweest. Haran en vader willen niet meer naar die school. Zijn broer zal volgend jaar ook in die zelfde stad gaan studeren en gezien deze broer een goede invloed op hem heeft was dat ook een reden om hem in die school in te schrijven.

De school zegt toe dat de intakecommissie de aanvraag opnieuw zal bekijken, maar de hulpverlener moest ervan uitgaan dat ze niet op hun besluit terug komen. De begeleiding wordt beëindigd op het moment dat Haran werk heeft gevonden en al meer dan twee jaar geen delict meer heeft gepleegd.

 

5.2 Commentaar bij deze behandeling

Aan de ene kant is het te gek voor woorden dat dit gezin asiel krijgt en kan blijven wonen in Nederland. Zij blijven omwille van de uitkering en, dank zij de vele subsidies, kunnen ze genoeg overhouden om op vakantie te gaan naar het land van herkomst. Aan de andere kant zijn er in dit gezin kinderen die goed studeren en die later hun bijdrage zullen leveren aan onze samenleving. Het is hier niet de plaats om dieper in te gaan om deze kwestie. Ik beperk me hier tot twee hypothesen met betrekking tot de oorzaken van de gedragsproblemen.

Mijn hypothese is dat door zeer ongelukkige en repressieve gerechtelijke maatregelen, in het bijzonder het zestien maanden durende huisarrest, Haran zo verbitterd is geraakt dat hij nergens meer voor te motiveren is. Dit is zijn vorm van verzet tegen diegenen die hem dit onrecht hebben aangedaan.

Haran heeft al meer dan twee jaar geen delict meer gepleegd. Hij is ook niet gewelddadig of agressief geweest. Hij kijkt somber, lijkt vaak afwezig, is passief en zegt meestal heel weinig. Dit lijken kenmerken van depressiviteit, maar hier zou een psychiater moeten over oordelen.

Zelfs in Irak vertoonde hij hetzelfde gedragspatroon. Als Haran depressief zou zijn, dan is het heel diep geworteld.

De vader weet geen raad met zijn zoon. Hij kan ook geen kant op: terug naar Irak is geen optie want hij kan niet meer werken en hier heeft hij een uitkering. Naar familie in het buitenland gaan kan ook niet, want die hebben de westerse mentaliteit overgenomen om niet tot in het oneindige familieden in de huiskring op te nemen.

Over deze jongen waren twee goede dingen te vermelden: hij heeft een tijdje terug stage gelopen in een schoenenzaak en daar waren ze tevreden over hem. Verder zou hij zeer goed kunnen voetballen toen hij vroeger in een club voor zaalvoetbal was ingeschreven.  

Het probleem bij deze casus is dat er nauwelijks aanknopingspunten zijn voor een behandelingsplan. Het probleem is duidelijk en concreet: hij doet geen inspanning voor school, hij wil ook niet gaan werken en hangt het liefst met vrienden op straat rond. Hieruit kunnen makkelijk doelstellingen op een concrete en positieve manier geformuleerd worden. Maar hoe krijgen we hem gemotiveerd voor school. Of hoe krijgen we deze passieve jongen aan het werk? Hoe vindt hij een kring van vrienden, bijvoorbeeld in een voetbalvereniging?

Het gezin is arm en er zijn nog drie andere kinderen. De vader heeft daarom geen enkele armslag en een zoon die wat bijverdient zou erg welkom zijn.


5.2.1 Twee hypothesen

Het is verleidelijk om te stellen dat we hier aan het einde zijn gekomen van onze behandelingsmogelijkheden. Bijvoorbeeld door te veronderstellen dat Haran lijdt aan chronische depressiviteit en daarom psychiatrische hulp nodig heeft. Alleen een psychiater kan hierover oordelen. Wij houden twee hypothesen over:

Hypothese 1 is dat Haran lijdt aan depressiviteit.

Een vroegere school was heel negatief over hem. Hij werd er als onhandelbaar omschreven. Hij was brutaal en hield zich niet aan afspraken. Het was wel op deze school dat de stage zo goed verliep. Er is in deze periode duidelijk iets fout gegaan. Het zou bijvoorbeeld kunnen zijn dat die opleiding voor hem te hoog gegrepen was. Hij is niet erg intelligent en mist sociaal vaardigheden. Om gezichtsverlies te voorkomen, vervalt hij dan ofwel in brutaal gedrag of in passiviteit. Ik hou het bij deze hypothese.


Hypothese 2 is dat zijn passief gedrag gezichtsverlies moet voorkomen.

Als dit laatste klopt, dan moet Haran in een situatie gebracht worden waar hij wel succeservaringen en waardering kan opdoen. Dat moet dan een situatie zijn waarin hij niet wordt overvraagd. Waarom slaagt een zeer flexibele en humane school als de school voor speciaal onderwijs waar hij een jaar was ingeschreven daar niet in? Ligt de oplossing in het zaalvoetbal? Het zou bijvoorbeeld mooi zijn als hij stage loopt in de voetbalvereniging: overdag allerlei klussen doen, helpen bij de administratie, activiteiten organiseren voor kinderen en uiteraard zelf meedoen aan de trainingen en wedstrijden. De situatie is op het einde van de begeleiding gestabiliseerd omdat Haran werk heeft gevonden.


5.2.2 Repressie of zorg?

Straf en zorg zijn geen vergelijkbare grootheden. Straf is toepassing van de wet en zorg is een ethische plicht. Straf is een duidelijk omschreven maatregel die door de wet wordt bepaald. Zorg een zaak is van persoonlijke verantwoordelijkheid. Zorg vereist persoonlijke inzet die niet afhankelijk gesteld kan worden van bepaalde eigenschappen van de dader. De wet kan niemand dwingen tot deze inzet.

Vergelijk dit met een huisarts: een goede huisarts is iemand die mensen graag ziet en al zijn patiënten de beste zorg biedt, ook lelijke mensen, onsympathieke mensen en ongewassen Tokkies die slecht ruiken. Jongeren die in een project voor zeer intensieve begeleiding in behandeling worden genomen, behoren tot die groep waar niemand op zit te wachten. De meesten hebben een lang strafblad en hebben alle vormen van jeugdhulpverlening, - van intensieve gezinsbehandeling tot detentie - al gehad. In de wijk waar ze wonen leven ze in een permanente oorlogstoestand met aan de ene kant het leger van wijkagenten, jeugdagenten, adoptieagenten, straatcoaches, stadstoezicht, jeugdreclasseerders, leden van het wijkteam en aan de andere kant een kleine groep hangjongeren die elkaar opzoeken, elkaar waarschuwen als de vijand in aantocht is en dreigen en schelden als een autoriteit in hun buurt komt. Als een van mijn medewerkers met een jongere in zijn auto door de wijk reed, volgde telkens  een politieauto in de buurt komt een eindeloze scheldpartij.

Daartussen moeten we manoeuvreren om zorg te bieden aan jongeren die er de pest aan hebben en hun zaakjes het liefst onderling regelen, terwijl we ook rekening mee moeten houden met de harde aanpak die de samenleving nu eenmaal eist ten aanzien van recidiverende en vaak gewelddadige criminelen.

Hoe kunnen we voorkomen dat we gezien worden als softe hulpverleners die alleen maar praten en weinig bereiken?

Als hulpverleners hebben we hetzelfde doel als diegenen die een harde aanpak voorstaan: hoe kunnen misdrijven worden voorkomen, hoe kunnen we recidive verminderen? Straf of repressie is het logisch antwoord. Ik heb het hier niet over straf als vergelding, als wraak, als een gevolg op de roep vanuit de samenleving voor een harde aanpak, maar over straf als middel om criminelen af te schrikken.

Gedrag dat leidt tot een negatief gevolg, straf bijvoorbeeld, zal in de toekomst minder voorkomen. Dat is het algemeen principe. Ik wil het hier niet hebben over de complexe vragen die dit principe oproept. Bijvoorbeeld: misdrijven leveren meestal directe positieve gevolgen op en de straf volgt pas veel later; de pakkans is slechts 15 procent. Dit betekent dat bij een diefstal je 7 keer “beloond” wordt en 1 keer gestraft.

Ik heb jongeren in behandeling gehad die al jarenlang ongestraft op het dievenpad gaan en voor hun familie en buren stelen op bestelling. Het schuurtje in de achtertuin is hun winkeltje waar alle gestolen spullen liggen opgestapeld.

Voor sommigen werkt straf in hun milieu statusverhogend. In een geval  werd een buurtfeest georganiseerd toen de zoon uit de jeugdgevangenis kwam. Bij hun soortgenoten worden ze als helden verwelkomd.

Ik hou het hier wat principiëler: kan straf misdrijven voorkomen en recidive verminderen? Als de vraag zo gesteld wordt, dan is het antwoord: nee. Moest het wel zo zijn, dan zou de misdaad al lang tot het verleden behoren: je hoeft slechts steeds strenger te gaan straffen totdat de laatste crimineel zijn lesje heeft geleerd. Dit werkt echter niet. Natuurlijk is het zo dat zolang ze opgesloten zijn zij geen misdrijven kunnen plegen. Om die reden ben ik er voorstander van dat jongeren die gemene geweldsdelicten plegen tegen weerloze slachtoffers, zoals een tasjesroof, direct tien jaar gevangenisstraf krijgen. Ik denk hierbij bijvoorbeeld aan een gewelddadige beroving van een bejaarde dame, die haar heup breekt, de laatste jaren van haar leven de straat niet meer op durft en moeite heeft met lopen. Maar de meeste jonge criminelen plegen minder ernstige delicten en komen snel weer vrij. Voor hen is het belangrijk om naar alternatieven te zoeken.

We moeten de feiten onder ogen durven te zien: de recidive na een gevangenisstraf is enorm ondanks het feit dat in de gevangenissen toch wel humaan wordt omgegaan met de gedetineerden. In de jeugdgevangenissen hebben de jongeren die ik daar bezoek meestal een fijne tijd en worden grote inspanningen gedaan om hen vaardigheden aan te leren en kennis bij te brengen. Er wordt daar structuur geboden, iets wat ze thuis meestal gemist hebben, zodat zij er zich veilig voelen.

Als je echter een groep criminelen een jaar lang samen opsluit dan is de negatieve invloed op elkaar veel groter dan die van therapeuten en andere behandelaars. Onze jongeren komen uit de jeugdgevangenissen terug met sterke verhalen over roofovervallen die ze van anderen hebben gehoord.

Straf moet altijd gecombineerd worden met zorg. Bij enquêtes onder gewone burgers blijkt dat zelfs diegenen die pleiten voor een keiharde aanpak ook vinden dat die aanpak met educatieve maatregelen moeten samengaan.


5.2.3 Twee buffers tegen recidive

Welke zorg is nodig?

Er zijn twee belangrijke buffers om criminaliteit en recidive te voorkomen:

1. het volgen van een opleiding of het vinden van werk

2. een band hebben met volwassenen die goede sociale modellen zijn en om de jongere geven. Bindingen hebben in de samenleving. Trots zijn op jouw wijk.

Dit is echter makkelijker gezegd dan gedaan. Het vergt namelijk een bovenmenselijke inspanning om deze jongeren nog te motiveren voor een opleiding. Als ze makkelijk geld kunnen verdienen  met helen en drugs hebben ze ook weinig zin om voor het minimumloon te gaan werken.

Het is zeer moeilijk om die buffers te stand te brengen:

  • de leerachtstanden zijn enorm. Op 17 jaar staan ze wat betreft taal en rekenen op het niveau van een elfjarige en een derde van hen op het niveau van een achtjarige. Dit is nooit meer in te halen. Verbaal zijn ze ernstig sociaal gehandicapt: conflicten moeten dus via agressie worden opgelost. In het gewone dagelijkse leven lopen ze continu frustraties op (ik ging eens met een jonge kerel mee naar een uitzendbureau. Hij ging naar een medewerkster, spreidde zijn beide handen over haar bureau en zei: ‘Werk’. Nu zijn ze daar wel wat gewend, maar zich goed kunnen introduceren verhoogt de kansen).
  • de helft van de aangemelde jonge recidiverende delinquenten in mijn klinische praktijk zit soms drie of vier maanden thuis  omdat geen enkele school ze nog wil opnemen. Of als we hen kunnen motiveren om een opleiding te volgen dan wordt hun keuze beperkt doordat ze geen verklaring van goed gedrag kunnen voorleggen; of ze worden geweigerd op de stageplaats.
  • als ze opnieuw delicten plegen en ze worden geplaatst in detentie, dan wordt hun opleiding onderbroken of ze verliezen hun baan. Dit wil niet zeggen dat criminelen niet gestraft mogen worden of niet geplaatst in detentie, maar ik wil slechts constateren hoe straf de buffers tegen recidive verhindert en waar we een oplossing moeten voor vinden. Het gaat niet om een harde versus een softe aanpak, maar om wat efficiënt is en wat niet.
  • ze hebben een eigen kring van asociale mensen, staan afwijzend tegenover instanties en worden met minachting bekeken. In sommige gevallen kunnen zelfs hun ouders niets meer positiefs over hun zoon zeggen. Een van onze jongens werd al acht jaar ernstig psychisch mishandeld door zijn stiefvader die hem de hele dag door bekritiseerde en er bijvoorbeeld voor zorgde dat al het eten op was als zijn stiefzoon thuiskomt (casus les 1).

Kortom: die leerachterstanden, het gebrek aan toekomstperspectief, de gevolgen van een zeer gebrekkige opvoeding, traumatiserende ervaringen, de dagelijkse omgang met andere criminele jongeren vormen samen een waslijst van risicofactoren waar we als hulpverleners een oplossing voor moeten zoeken.

Bij deze groep is dit een onmogelijke opgave. We kunnen wel zeggen dat hier een multisystemische behandeling noodzakelijk is, maar wie is in staat om de zojuist genoemde problemen goed op te lossen? Zelfs met vijf uur per week en per jongen kom je er nog niet. De zorg die bij deze complexe en diepgewortelde problematiek nodig is, is onbetaalbaar. Wie is er trouwens voldoende opgeleid om op al die terreinen hulp te kunnen bieden? We kunnen die jongeren toch niet met een vijftal verschillende hulpverleners opzadelen?

Een project zoals ik heb geleid, houdt altijd een groot risico in: de kans dat het met een van de jongere heel erg fout loopt tijdens de behandeling zit er altijd in. Als de overheid geen vertrouwen in ons heeft, is het snel afgelopen. 

Gelukkig hebben we een belangrijke troef in handen: alle andere hulpverleners laten het hier afweten. Wie het beter weet, mag het zeggen. De vraag is dus of we bereid zijn tot onbegrensde zorg en volledige inzet tot de jongere terug op het juiste spoor zit?


5.2.4 Behandeling: een zaak van de samenleving

Wat kan de hulpverlener hieraan doen? Kan zij de jongere een opleiding bieden? Kan zij hem helpen bij het inhalen van zijn leerachterstanden? Kan zij met hem een binding aangaan die niet aan tijd is gebonden?Neen dus, en dat is precies de reden waarom de jeugdhulpverlening bij deze groep faalt en altijd zal blijven falen als er niets fundamenteel verandert.

Het gaat om een antwoord op de volgende vragen:

1. Wie is er in staat deze jongeren een opleiding te geven die hen aanspreekt op hun talenten en mogelijkheden? Ondanks de leerachterstanden is dit niet onmogelijk. Er zijn kortdurende, zeer praktijkgerichte opleidingen die jongeren goede kansen kunnen geven op de arbeidsmarkt. Welke school krijgt de totale vrijheid om naar eigen inzicht zo’n programma op te zetten in overleg met de werkgevers?

Ik heb nagenoeg alle leerkrachten in het lager beroepsonderwijs in Curaçao en Bonaire een training gegeven in het leren omgaan met agressie. Daar zag ik voor mijn ogen gebeuren waarom het zo fout kan gaan met Antilliaanse jongeren in Nederland: bij gebrek aan materiaal en een geschikt programma  wordt aan die leerlingen nauwelijks toekomstperspectief geboden. Nochtans liggen de kansen voor het grijpen: een school voor beroepen in de horeca, biologische landbouw voor levering aan cruiseschepen en de toeristenindustrie. Veel souvenirs die ze op die eilanden verkopen, dragen het etiket ‘made in China’: waarom aan de bezoekers van deze mooie eilanden geen souvenirs van eigen fabrikaat verkopen?

2. Welke werkgever is bereid om met oneindig geduld die jongeren een kans te geven? Hoe kunnen we hen aan een baan helpen, ook al hebben zij geen verklaring van goed gedrag?

3. Welke volwassenen in de eigen omgeving van de jongere zijn bereid om onvoorwaardelijk naast hem te staan, om altijd een toevlucht te zijn, om altijd te blijven geloven in zijn positieve mogelijkheden en om hem steeds opnieuw een kans te geven?

Er is geen reden tot pessimisme: die leerkrachten, die werkgevers, die volwassenen zijn overal te vinden. Het is de taak van de hulpverlener om hen te mobiliseren, zodat rondom de jongeren een soort NETWERK VAN SOLIDARITEIT  ontstaat.


5.2.5 Jeugdhulpverlening vestigen op de scholen

Ik wil hier een paar praktische voorstellen aan koppelen:

De jeugdhulpverlening moet worden gevestigd op scholen. Op het basisonderwijs zodat problemen vroegtijdige gesignaleerd worden en preventie mogelijk wordt. Op het middelbaar onderwijs voor vroegtijdige hulpverlening.  Door wijkgericht te werken kom je als jeugdhulpverlener automatisch in contact met de scholen.

De jeugdhulpverlening moet samenwerken met werkgevers, zodat de jongeren na hun praktijkgerichte opleiding een baan kunnen vinden. De hulpverlener kan hen daarbij een tijdje begeleiden.

Om het wat scherp te stellen: een jeugdreclasseerder moet niet zozeer contact hebben met de jongere zelf, moet niet zozeer praten met de jongere, maar hij moet vooral contacten leggen met mensen die iets voor deze jongere kunnen betekenen, Hij moet een bemiddelaar zijn tussen de jongere en de samenleving. Hij moet dus een netwerk van solidariteit rondom de jongere tot stand brengen.

Als dit lukt, dan zal dit netwerk van solidariteit in de wijk ook voor andere jongeren haar nut kunnen bewijzen en wordt de jeugdhulpverlening in zekere zin overbodig. De burgers nemen het van ons over en dat is een goede zaak.


5.2.6 Hoe straf en zorg met elkaar combineren?

Wat betekent dit alles voor onze vraag: hoe is straf en zorg met elkaar te verbinden?

Een voorbeeld kan mijn visie het best verduidelijken. Vijf van de jongeren die bij mijn laatste project werden aangemeld, zijn slachtoffer geworden van een zwendel met telefoonabonnementen. Zoals bekend zijn in deze kringen de daders nu eens slachtoffer en dan weer dader. Door twee bekende boeven werden ze min of meer gedwongen bij diverse maatschappijen een telefoonabonnement af te sluiten. Zij kregen elk 150 euro. Dat was heel slim van deze boeven want de jongeren kunnen moeilijk een klacht indienen omdat ze ervoor zijn betaald. De advocaat die we op  deze zaak hebben gezet heeft dan ook geen vertrouwen in een goede afloop. Na een maand kwamen de rekeningen binnen. Bij sommigen is dat tot 5000 euro opgelopen. Een van hen, een Turk, was tijdens de herfstvakantie naar Turkije geweest en had een pistool meegebracht; verstopt achter de bumper van de auto zonder dat zijn vader het wist. Aan mijn medewerkster vertelde hij dit en zei dat hij die twee boeven zou neerknallen. Zij vroeg mijn advies. Ik twijfelde geen seconde en zei dat zij onmiddellijk naar de officier van justitie moest gaan en haar het probleem voorleggen. Misschien was het mogelijk dat hij het wapen kon inleveren zonder verdere gevolgen. Ik zei er wel bij dat zij open kaart moest spelen naar de jongen toe.

De volgende dag zijn ze samen naar de politie geweest en de vader werd er buiten gehouden. De vertrouwensrelatie werd er niet door aangetast.

Er was nauwelijks een kans dat de politie dit tijdig ontdekt zou hebben. Dank zij de vertrouwensrelatie met de hulpverlener werd hier misschien een zwaar misdrijf voorkomen.

In dit voorbeeld is er weliswaar geen sprake van straf, maar het bewijst dat justitieel ingrijpen best gecombineerd kan worden met zorg. Straf of het inleveren van wapens is best uit te leggen. Straf kan worden toegekend terwijl de dader toch met respect wordt behandeld. De politie kan best streng optreden zonder dat de jongere zich vernederd voelt.

Voor de meeste gearresteerde jongeren maakt het niet zo veel uit als diegene die moet toezien op de strafmaatregelen ook de hulpverlener is. Wij hebben echter te maken met recidiverende en vaak gewelddadige criminelen die een enorme haat hebben ontwikkeld tegenover de instanties en die al veel hulpverleners over de vloer hebben gehad. Vooral bij niet-westerse allochtonen zien we soms dat ze ‘de hele wereld’ haten.

Met deze jongeren kan er nooit een vertrouwensrelatie ontstaan als de hulpverlener tegelijkertijd een verlengstuk is van justitie. De jongere zelf zal slechts veranderen als hij op een of andere manier geraakt wordt door de inzet en het vertrouwen van mensen die om hem geven. Ze hebben in onze samenleving vaak al zoveel negatieve, frustrerende en discriminerende ervaringen opgedaan, soms al vanaf de basisschool, dat zij in ons project soms voor het eerst weer ervaren dat er volwassenen zijn die in hen geloven.

Wie stelt dat de hulpverlener ook verantwoordelijk moet zijn voor de uitvoering en het toezicht op de strafmaatregelen plaatst de hulpverlener in het kamp van diegenen die door de jongeren worden gehaat en maakt het opbouwen van een vertrouwensrelatie onmogelijk. Laat ieder zijn deskundigheid en bevoegdheid. De hulpverlener moet zich ten volle kunnen concentreren op zijn taak en zich niet laten afleiden door de afschuw over de daden van de jongere.

De hulpverlener moet bij deze jongeren, tegen de stroom in, tegen de overtuiging van de bevolking, er blijven van uitgaan dat zij de moeite waard zijn, dat ook zij oneindig meer zijn dan de misdrijven die ze hebben gepleegd.

Ik pleit ook voor een harde aanpak, maar voor de ergste crimineel moet er ook een uitweg zijn: het netwerk van solidariteit staat voor hem klaar.

Om straf en zorg goed te kunnen combineren moeten politie, justitie en hulpverleners zelf het voorbeeld geven dat zij respectvol met elkaar omgaan, elkaars terrein respecteren en via regelmatig overleg zoeken naar hoe de belangen van de samenleving en van de jongeren het best gediend kunnen worden.

Krijgen de hulpverleners in de jeugdbescherming voldoende ruimte om naast de repressieve maatregelen zich maximaal en onvoorwaardelijk in te zetten voor de jongeren? Is scheiding van straf en zorg mogelijk, zodat ze goed verbonden kunnen worden?

Stellingen voor een discussie:

1. Het is niet zozeer de jonge crimineel die behandeld moet worden, maar er moeten mensen in zijn eigen omgeving gemobiliseerd worden die zich voor hem willen inzetten (discussie over netwerk van solidariteit: hoe is dat te realiseren?)

2. Een harde aanpak: ja, op voorwaarde dat de talenten en goede eigenschappen van de crimineel ook een kans krijgen. Wat betekent dit voor de opleiding van de jongere en voor het verbeteren van zijn toekomstperspectief? Hoe kan je ervoor zorgen dat de strafmaatregelen geen barrière zijn tegen positieve ontwikkelingen? Wat kan in de jeugdgevangenis worden gedaan om de jonge crimineel betere kansen te bieden?


Overzicht 7 lessen:










 


© Juliaan Van Acker 2017