literatuur: Chalier, C. (1992). L’histoire promise. Paris: Les Éditions du Cerf.
Samengevat
Het concept ’geschiedenis’ kent een fundamentele tegenstelling: de gangbare, wereldse geschiedenis van macht, oorlog en verovering versus een 'heilige geschiedenis'. Die heilige geschiedenis draait om overdracht van waarden, relatie met de Ander, en het belichamen van het Woord door generaties heen. De nadruk op 'namen' in de Bijbel is cruciaal: het benadrukt de unieke, onvervangbare waarde van elk individu, in tegenstelling tot de anonimiteit van machtsstructuren.
Centraal staat het concept van de 'Ander' en de roeping tot heiligheid. De moderne tijd wordt gekenmerkt door een verlies van transcendentie en een opsluiting in het zelf, wat leidt tot zinloosheid. Het joodse volk fungeert als een soort hoeder en getuige van een alternatieve geschiedenis, gebaseerd op het Verbond, de Torah, en een voortdurende interpretatie die ruimte laat voor nieuwe betekenissen. Thema's als vruchtbaarheid (zowel letterlijk als spiritueel), berouw, en eschatologische hoop (niet als gewelddadig einde, maar als innerlijke transformatie) komen ook sterk naar voren.
De kritiek op de gangbare geschiedschrijving legt de kern bloot van de heilige geschiedenis (overdracht van waarden door de opeenvolgende generaties met accent op de verantwoordelijkheid voor de Ander) en de rol hierin van het joodse volk. Dit maakt een diepere de diagnose van de moderne tijd mogelijk en biedt uiteindelijk een alternatief perspectief op hoop en verlossing.
De Twee Gezichten van de Geschiedenis: Macht, Heiligheid en de Roeping van de Mens
Wat is de ware geschiedenis? Is het het verhaal van oorlogen, overwinningen en nederlagen, een kroniek van macht en erkenning die door de overwinnaars wordt geschreven? Of is er een andere, diepere laag, een verborgen stroom die zin geeft aan de oppervlakkige turbulentie van wereldse gebeurtenissen? De stelling die hier wordt verdedigd is dat de 'echte' geschiedenis niet die van de wereldse macht is, maar een 'heilige geschiedenis': de geschiedenis van de overdracht van een Woord, van de roeping tot heiligheid en van de onvervangbare singulariteit van elk menselijk gelaat. Deze opvatting van de geschiedenis van de mensheid betekent dat we eindelijk verlost zouden worden van de eeuwige cyclus van oorlog en geweld indien de mens zijn ware roeping volgt. Een roeping die komt van het Hogere.
De conventionele geschiedschrijving viert heldendaden, wetenschappelijke doorbraken en culturele prestaties. Deze zijn echter vaak uitingen van het menselijk verlangen om zichzelf een naam te geven, om de eigen hegemonie te vestigen en de bron van zin te zijn. Dit streven, hoe indrukwekkend ook, leidt uiteindelijk tot een existentiële wanhoop. Wie zichzelf als het begin en het einde ziet, verliest de oriëntatie op de Ander en sluit zich op in de immanentie van het eigen ik. Tegenover deze zelfgenoegzaamheid plaatst de Bijbel een eenvoudige, maar revolutionaire opsomming van 'namen'. Generaties lang worden alleen de namen van de geslachten doorgegeven, zonder hun daden. Dit onderstreept de kern van de heilige geschiedenis: het belangrijkste is niet wat een mens presteert, maar dát er een nieuwe mens verschijnt, een ware Ander, geschapen ex nihilo. In deze overdracht van leven wordt de goddelijke opdracht 'gaat en vermenigvuldigt u' vervuld. Het krijgen van kinderen en, in bredere zin, de toewijding aan de Ander, bevrijdt de mens uit zijn in zichzelf gesloten zijn. Wie deze overdracht weigert, wie geen kinderen krijgt of zich niet voor de ander inzet, verbant in zekere zin het gelaat van God uit de wereld. Het is een existentiële moord op de toekomst, een weigering om het stokje van het leven en de zin door te geven.
Deze innerlijke vrijheid, deze oriëntatie op de Ander, is het kenmerk van het joodse volk, dat een voorbeeld en een 'licht voor de naties' is. Zelfs onder slavernij, zonder macht over de uiterlijke realiteit, bleef dit volk trouw aan het Verbond, door het Woord door te geven aan nieuwe generaties. Deze trouw is geen vlucht uit de politiek, maar geeft er de hoogste zin aan. Een samenleving verliest haar menselijkheid wanneer de politieke orde niet langer wordt georiënteerd door het Goede dat de individuele belangen overstijgt. Het verlies van transcendentie, zo kenmerkend voor de moderne tijd, reduceert de mens tot zijn sterfelijkheid en ontneemt hem het referentiepunt om over goed en kwaad te oordelen. Alles wordt immanent, de mens is absoluut autonoom en luistert naar niets buiten zichzelf.
In deze wereld van geweld en verraad is de innerlijke oriëntatie alleen niet voldoende. Er is een Wet nodig, een externe maatstaf. Waar de Grieken zich een wet gaven om vrij te zijn, een menselijke wet om de samenleving te regeren, ontvingen de Hebreeërs de Wet van de Transcendentie Zelf. De Tien Geboden zijn niet van voorbijgaande aard, maar bieden een eeuwig perspectief. De jood staat daardoor relatief afstandelijk tegenover wereldse gebeurtenissen, niet omdat hij zich er niets van aantrekt, maar omdat hij beschikt over een eeuwig Woord. Dit Woord is geen absolute dictatuur; het is juist een uitnodiging tot een oneindige interpretatie. Ieder individu wordt persoonlijk aangesproken – bij zijn naam – en draagt bij aan het ontvouwen van de betekenis van de Openbaring. Dit wekt de haat op van totalitaire denkers, van links of rechts, die menen de absolute waarheid in pacht te hebben. De jood gehoorzaamt uiteindelijk aan de Eeuwige, niet aan een vreemde wil.
De geschiedenis van de zin is daarom een ander gezicht van de geschiedenis. Tegenover de geschiedenis van de staat en de macht staat de geschiedenis van de studie, van het gebed en van de overdracht, die zich niets aantrekt van dominante ideologieën. Deze 'geschiedenis van de heiligheid' voltrekt zich in de kleinste daden, in de blik die het gelaat van de ander ziet. Een gelaat kan ons plotseling raken en een beroep op ons doen, zonder objectieve reden. Het is een spoor van het Oneindige, een oproep tot verantwoordelijkheid. Dit geraakt worden is de bron van hoop. Hoop is iets anders dan het moderne idee van vooruitgang, dat veronderstelt dat de geschiedenis stap voor stap naar een gelukkig einde leidt. Hoop is de zekerheid, te midden van groot lijden, dat het unieke leven van elk gelaat zin heeft, omdat het het gelaat van de Oneindige draagt. De wereldse geschiedenis staat onverschillig tegenover dit unieke leven; zij is geobsedeerd door macht. Het jodendom en christendom daarentegen funderen een menswaardige beschaving op het respect voor de unieke Ander, geschapen naar het beeld van God.
Deze singulariteit van de persoon is heilig en onherleidbaar tot een filosofisch of politiek systeem. De openbaring begint met een 'jij', haalt de mens uit de anonimiteit en maakt het mogelijk een 'ik' te worden. Maar dit 'ik' mag zich niet in zijn singulariteit opsluiten als in een fort. Het kwaad ligt juist in de scheiding, in het isolement van de ander. Ware subjectiviteit vindt zichzelf pas in het 'tot niets herleiden' van het ego, in het openstellen voor het Woord dat ons altijd al bewoont. Deze innerlijke verandering, dit berouw en deze nederigheid, zijn geen teken van zwakte, maar de enige weg naar ware vrede. Geen politiek verdrag, hoe nobel ook, kan de mens genezen van haat en eigenbelang. De messiaanse vrede begint op het moment dat een individu het eeuwige Woord hoort als tot hem of haar gericht en zich verantwoordelijk weet voor de Ander.
Deze eschatologie is geen voorspelling van een verre, gewelddadige eindstrijd. Het is een inbreuk van de eeuwigheid in de tijd, hier en nu. Het Koninkrijk der hemelen komt langzaam via de momenten waarop een mens antwoordt op het Woord. De lange lijst van namen in de Bijbel getuigt hiervan: elke naam draagt een flits van het licht van de belofte. De voltooiing van de tijd is niet de dood, maar de transformatie van de duur van het leven in het eeuwige, door de ontmoeting met de Ander. De ware geschiedenis is daarom geen kroniek van overwinningen, maar een mozaïek van deze ontmoetingen. Het is de geschiedenis van hen die, in de voetsporen van het joodse volk, weigeren God te vervangen door macht, en in plaats daarvan, door studie, gebed en daden van liefde, een woning voor het Heilige in deze wereld bouwen.