https://www.ministrando.org/sitemap.xml.gz

Verantwoordelijkheid om niets

referentie: Zielinski, A. (2004). Levinas: La responsabilité est sans pourquoi. Paris: Presses Universitaires de France. [ In 151 blz. wordt in dit boek een van de beste verduidelijkingen gegeven over Levinas’ visie over de verantwoordelijkheid van het Ik voor de Ander].

Het is dank zij de aanwezigheid van andere mensen dat ik niet in mijzelf opgesloten blijf. Sterker nog: de Ander die ik ontmoet doet een appel op mij. Een appel dat ik niet kan ontlopen. Ik kan hem negeren, maar negeren is pas mogelijk als ik hem heb gezien. Negeren is geen antwoord geven op zijn appel. De Ander vraagt mij hem zijn leven te gunnen, zijn plaats op de wereld, om mijn verantwoordelijkheid voor hem op te nemen. Negeren is daarom hem een beetje doen ’sterven’.

De hel is bestemd voor diegenen die alleen aan zichzelf hebben gedacht en daarom voor eeuwig in zichzelf opgesloten zullen blijven. Hier is het sleutelwoord ’eenzaamheid’.

De hemel is voor allen die goed waren voor andere mensen en die eeuwig de warme banden met anderen zullen koesteren. ’Verbondenheid’ is hier het sleutelwoord. Uiteindelijk gaat het om verbondenheid met God omdat God via de Ander tot mij spreekt.

Van belang is dat het appel van de Ander dat gericht is op mij, van buiten mij komt. De Ander is geen object dat ik onderzoek vanuit mijn denkcategorieën, maar de Ander kijkt mij aan. Met andere woorden: de Ander is geen fenomeen dat ik blootleg, maar de Ander manifesteert zich uit zichzelf en niet vanuit mijn intentionaliteit, niet vanuit mijn categorieën of vanuit mijn verwachtingen. Om die reden kan ik de Ander niet toeëigenen zoals ik een object toeëigen. De Ander is er niet voor mij zoals een ding, maar ik ben er voor de Ander. ’Er zijn voor de Ander’ is de kern van de joods-christelijke ethiek.

Het appel dat de Ander tot mij richt, gaat vooraf aan mijn vrijheid. Er is geen waarom voor mijn verantwoordelijkheid en er is geen einde aan (ik kan nooit zeggen: ’Nu ben ik goed genoeg geweest’). Het appel opent als het ware voor mij de Oneindigheid. Gehoor geven aan het appel opent de poort naar de hemel.

Het appel van de Ander doet mij de vraag stellen: ’Wat wil ik met mijn leven’: leef ik uitsluitend voor mezelf of staat het welzijn van de Ander in mijn bestaan centraal? Ben ik onverschillig voor het lot van de anderen of leef ik in dienst van de anderen? Gebruik ik de Ander voor mijn eigen behoeften of geef ik antwoord op de behoeften van anderen?

De relatie met de Ander waarbij een appel van hem aan mij is gericht is als het ware een religieuze ervaring. Dat appel komt van buiten mij, van buiten mijn wereld, als een openbaring. Dit is ook de kern van de evangelische boodschap: wie de liefde niet heeft voor de naaste, heeft niets. Geloven in God heeft geen enkele zin als er geen naastenliefde is. Sterker nog: geloven in God is identiek aan de liefde voor de naaste. Kierkegaard heeft hierover prachtige teksten geschreven.

Hier tegenover staat het heidendom: hier gaat het om mijn relatie met de wereld, met de dingen; de relatie met de Ander is hieraan ondergeschikt. Dit is het gevaar van de technologie; zelfs onze relaties worden tot objectrelaties gemaakt. De sociale media dienen mijn behoeften. Er is geen ontmoeting face to face, waardoor ik het appel van het transcendente niet meer hoor. Dit proces van objectivering is al lang aan de gang, sinds de komst van het materialisme.

Het heidendom betekent een strijd van allen tegen allen. Het gaat gepaard met geweld, onderdrukking en uiteindelijk genocides. Het ontbreekt ook aan verantwoordelijkheid voor het welzijn van toekomstige generaties die zullen moeten leven op de planeet die we voor hen achterlaten. Om uit de vicieuze cirkel van het heidendom te ontsnappen moeten we ons inspannen om opnieuw het appel van de Ander te horen. Dat kan in de gewone, dagelijkse omgang. Via onze verantwoordelijkheid voor de anderen komt er een spiritueel tijdperk, waarin we bevrijd zijn uit het heidendom. We moeten als het ware God in de wereld brengen en een Koninkrijk Gods stichten. De hemel creëren we uiteindelijk zelf.

De keuze voor geloof, zoals hierboven gedefinieerd, of voor het heidendom zal bepalen of we al of niet in deze eeuw naar een door de mens veroorzaakte apocalyps stevenen. Het is dus van levensbelang hierover na te denken en ernaar te handelen. Dat is trouwens de motivatie voor mij om te publiceren.

Een ander gevaar is de Ander te reduceren tot wat ik van hem weet, tot de kennis die ik over hem verzamel. Begrijpen van de Ander is be-’grijpen’: hij komt in mijn greep. Hier zijn het weer mijn behoeften die centraal staan. De Ander is echter ’oneindig’; hij is altijd meer dan wat ik van hem weet. Ik moet daarvoor open staan.

Die reductie geldt ook voor de wereld om mij heen, nochtans is de wereld oneindig complex. Onze technologische ingrepen houden daarom het gevaar in de gevolgen niet te overzien. De destructie van onze planeet, van de fauna en de flora is er een gevolg van. Ook hier is het beter open te staan voor de oneindigheid van de schepping en ervan te genieten (en anderen laten genieten, ook in de toekomst) van wat ons is gegeven. Gaat van de natuur ook niet een appel uit om ons verantwoordelijk te gedragen?

Door verantwoordelijk te zijn erken ik de goddelijke oorsprong van de Ander en van het Andere (de Schepping). De Ander en het Andere zijn aan mij gegeven. Waar haal ik het recht vandaan om er misbruik van te maken, om het te manipuleren?

Er is weliswaar de erotische relatie met de Ander en de wereld is er om mij te voeden en om er te wonen, want ik een mens van vlees en bloed, maar dat geldt voor allen. Mijn verantwoordelijkheid ligt in het genot van de Ander in de erotische relatie, in het spijzen van wie honger heeft en het onderdak bieden aan wie een veilig huis ontbeert.

Wat is een echte dialoog? Dat is een gesprek waarin de Ander zichzelf kan zijn, waar hij ontsnapt aan elke objectivering en assimilatie; dit wil zeggen dat ik hem niet beoordeel vanuit mijn normen en waarden en vanuit mijn behoeften. Er blijft een absolute scheiding tussen het mij en de Ander. Dit wil niet zeggen dat ik niet meetel in de dialoog. Integendeel, ik krijg een oneindige verantwoordelijkheid en daardoor ontsnap ik uit de begrenzing door mijn egoïsme. In de ware dialoog probeer ik de Ander te ontdekken.

Die absolute scheiding geldt ook voor God. God is onkenbaar. Ik kan Hem niet herleiden tot wat ik van Hem begrijp. Op die manier is mijn geloof gezuiverd van mythen en zal ik ook geen geweld plegen in naam van God. ’In naam van God’ en ’Gott mit uns’ zijn slechts vergoddelijkingen van mijn eigen behoeften. Liever atheïsme dan een door de mens gefabriceerd geloof.

We kunnen niet spreken over God zonder te spreken over de naaste. De enige manifestatie van God is de oproep de hoeder te zijn van mijn broeder. God manifesteert zich niet zonder de Ander. In het gelaat van de Ander vind ik de oneindigheid van God.

’Er zijn voor de Ander’ die hierboven werd gedefinieerd als de kern van de joods-christelijke ethiek biedt de ware zin van de schepping, van de wereld, van de natuur en van mijn bestaan. Dat alles komt in mijn wereld zonder dat ik er zelf oorzaak van ben. Het is aan mij gegeven om niets. Daarom ben ik er ook voor niets voor verantwoordelijk. De wereld is er om aan de Ander te geven, dit wil zeggen om de honger uit de wereld te helpen, om van de wereld een veilige plek te maken waar we in geborgenheid kunnen genieten van het leven. In het evangelie staat dat een rijke even moeilijk in de hemel kan komen als een kameel door het oog van een naald. Dat  zal de rijke slechts lukken als hij zijn rijkdom gebruikt om de miserie en de armoede uit de wereld te helpen. Met deze joods-christelijke opdracht kunnen we van de 21ste eeuw de beste eeuw ooit maken, ondanks alle uitdagingen.

zondag 24 juli 2022

 . 

andere teksten:







   © Juliaan Van Acker 2022